In Allen Watson’s artikel ‘Tips voor het oefenen’ zegt
Allen hoe waardevol het is om de gebeden uit deel II van het
Werkboek daadwerkelijk te bidden. Ik heb ontdekt dat dit een
van de meest lonende elementen is uit de werkboekpraktijk. Ik
raad je ten zeerste aan dit te doen, en deze gebeden (in stilte
of hardop) rechtstreeks tot God uit te spreken als diep doorvoelde
persoonlijke communicatie, als een soort ‘liefdesverklaring’
tussen het geschapene en de Schepper. Want dat is precies hoe
deze gebeden zich laten lezen.
Om deze manier van toepassen te stimuleren
wil ik me richten op het gebed uit les 232, dat ongetwijfeld
mijn meest favoriete gebed uit de hele Cursus is. Ik heb dit
gebed talloze keren gebruikt. Als ik een eind met de auto moest
rijden bracht ik de tijd soms biddend door, steeds maar dit
gebed herhalend. In de loop der tijd is iedere zin voor mij
doordrenkt geraakt met een schitterende betekenis. Ik wil die
betekenis nu graag delen, door het gebed zin voor zin door te
nemen en op iedere zin nader in te gaan.
Ik raad je ten sterkste aan dat wat nu volgt niet alleen
maar door te lezen, maar het gebed daadwerkelijk met mij te
bidden, terwijl ik het met je doorneem. Om dat te doen stel
ik de volgende vorm voor: doe het gebed bij voorkeur in de ochtend,
aangezien het - zoals je zult zien - zelf daarvan uitgaat. Lees
eerst de zin uit het gebed en vervolgens mijn commentaar daarop.
Ga dan terug naar de zin die ik toegelicht heb en neem wat tijd
om hem werkelijk tot God uit te spreken. Als je kunt, spendeer
er dan een of twee volle minuten aan; blijf er bij stilstaan,
lees hem dan nog eens en nog eens, en voeg er eventueel je eigen
details aan toe, totdat hij werkelijk bij je binnenkomt en tot
je gevoelens doordringt. Hopelijk heeft mijn commentaar deze
ervaring verrijkt, maar kijk welke nieuwe betekenissen er voor
jou voortkomen uit de tijd die jij met deze zin hebt doorgebracht.
Ga dan door naar de volgende zin met het commentaar daarop,
en herhaal hetzelfde proces.
‘Wees
in mijn gedachten Vader, wanneer ik ontwaak,’
Zie je de persoonlijke boodschap in deze openingszin?
Je vraagt iemand in jouw gedachten te zijn. In zekere zin is
dit intiemer dan iemand te vragen in je bed
te zijn wanneer je wakker wordt. En je vraagt het aan ‘mijn
Vader’. Dit is niet hetzelfde als ‘God’ zeggen. Het maakt deze
God tot de jouwe. Omdat Hij van jou is, hoef je ook niet echt
te vragen of Hij in
je gedachten wil zijn. ‘Wees in mijn gedachten‘ is geen vraag.
Er zit geen schroom in. Er is geen sprake van ’Wilt u misschien
alsjeblieft in mijn gedachten zijn, uwe Hoogheid?’ Door deze
zin te zeggen ga je ervan uit dat je het recht hebt naar God
toe te gaan, Hem als je Vader aan te spreken en eenvoudig te
zeggen ‘Wees in mijn gedachten’. Je kunt Hem zelfs een tijdstip
opgeven: ‘wanneer ik wakker word’. Je bent niet een knecht op
de velden, maar een zoon van het gezin, die alle recht heeft
op de aanwezigheid van zijn vader.
Hoe geweldig zou het zijn in deze toestand
te ontwaken, om ’s ochtends onze ogen te openen en Gods Aanwezigheid
in onze geest te voelen. Omdat we niet zo alert zijn als we
wakker worden, hebben we gewoonlijk alleen maar de meest basale
en dichtstbijzijnde dingen in gedachten zoals koffie zetten,
douchen en aankleden, ons klaarmaken voor een afspraak. Wat
als in plaats daarvan het meest basale en dichtstbijzijnde voor
ons God zou zijn? Wat als, zodra we uit onze
slaap ontwaakten, Hij het eerste was dat in onze gedachten kwam,
en we Hem binnenin ons voelden? Misschien zouden we dan de nieuwe
dag niet begroeten met ons gewoonlijke gevoel van druk, onze
drang om de wekker af te zetten en de lakens over ons hoofd
te trekken. Misschien zouden we zelfs niet zo duf zijn. Misschien
zouden we iets voelen van wat het volgende citaat zegt. Het
gaat over vergeving, maar kan evengoed op God toegepast worden:
‘[Hij] fonkelt in je ogen als je ontwaakt en schenkt je de
vreugde waarmee je de dag tegemoet kunt gaan’ (WdI.122.2.2).
‘en
schijn op mij de hele dag door’.
Deze zin roept een beeld van God op als de
heerlijke warme zon die precies goed voelt, niet te heet en
niet te ver weg. Net als de zon komt God in de ochtend op en
schijnt Hij de hele dag op je. Ook is Zijn schijnen net als
de zon volmaakt onpartijdig. Hij schijnt zonder onderbreking,
of je nu in vrede bent of boos, vriendelijk of harteloos. Hij
schijnt gewoon. Maar Hij schijnt niet met een fysiek licht zoals
de zon. Wat betekent het als een persoon
op je schijnt? Het betekent dat die persoon de warmte van zijn
liefde en goedkeuring op je laat stralen. Wanneer God dus op
jou schijnt betekent dit dat God tegen jou glimlacht,
zoals een ander gebed uit het Werkboek zegt:
Ik ben degene naar
wie Jij glimlacht, met een liefde en tederheid
zo dierbaar, stil en doorvoeld, dat het universum naar Jou teruglacht
en Jouw Heiligheid deelt. Hoe zuiver, beschermd en heilig zijn
wij dan die in Jouw glimlach vertoeven, terwijl al Jouw Liefde
ons geschonken wordt. (WdII.341.1:2-3)
Stel jezelf dus voor, als je wilt, dat je je
in Zijn zon koestert, vertoevend in Zijn glimlach, ‘de hele
dag door’ - in de middag, om drie uur, om vijf uur, als je aan
je bureau zit, als je in de auto rijdt. En stel jezelf voor
dat dit vandaag gebeurt.
Zoals ik al zei helpt het om de dag van de week en de datum
in te vullen.
‘Laat
elke minuut een moment zijn
dat ik met Jou doorbreng.’
Tegen wie zou je iets dergelijks zeggen? Stel
je voor dat je met een vriend loopt te wandelen en zegt: ‘Laat
elke minuut een moment zijn dat ik met jou doorbreng’. Als deze
persoon werkelijk zou denken dat je dit meende, zou hij je wellicht
meteen aan banden willen leggen. Om dit tegen iemand te zeggen,
moet je niet alleen een allesoverheersend verlangen hebben om
bij die persoon te zijn, maar moet je hiervoor ook uitzonderlijke
toestemming hebben
die de normale grenzen van beleefdheid en hoffelijkheid opheft.
Niet alleen druk ik hiermee mijn verlangen
uit om elke minuut bij God te willen zijn, maar het vertoeven
in Zijn aanwezigheid schijnt zelfs het belangrijkste kenmerk
van die minuut te zijn. Die minuut is niet een tijd waarin ik
voornamelijk andere dingen doe en me daarnaast ook een beetje
bewust ben van God. Elke minuut is getiteld ‘een moment dat
ik met Jou doorbreng’. Dát is het allesbepalende; dát is wat
het is, zelfs als er aan de oppervlakte andere activiteiten
plaatsvinden. En welke boeiende dingen doe ik met God als Hij
en ik de minuten voorbij laten gaan? Gewoon bij elkaar
verblijven. Gewoon
samen zijn. Gewoon met onze hoofden tegen elkaar aan rusten.
Dat is alles.
En dus vraag ik je opnieuw: tegen wie zou je
dit willen zeggen? Het zou iemand moeten zijn met wie ze zo
graag samen wilt zijn dat het absolute voldoening zou schenken
iedere minuut bij elkaar te zijn, zonder enige afleiding en
andere activiteiten, en niets anders te doen dan in elkaars
aanwezigheid te verblijven. En het zou iemand moeten zijn waarvan
je wist dat hij jou niet zou afwijzen, maar die ook voortdurend
bij jou wilde zijn.
‘En
laat mij niet vergeten Jou elk uur te danken
dat Jij bij me gebleven
bent,’
Stel je eens een relatie voor die zo kostbaar
en zo onvervangbaar was, dat je echt ieder uur van iedere dag
die persoon wel wilde bedanken, gewoonweg voor het feit dat
hij bij jou verblijft. Stel je voor dat je dit
niet doet omdat het je plicht is en ook niet omdat hij anders
weg zou gaan. Nee, uit eigen vrije wil wil je ‘niet vergeten
hem te danken’, gewoon om de vreugde van je dankbaarheid te
voelen. Als we zo’n relatie hadden, zou de rijkdom hiervan in
je leven niet in woorden uit te drukken zijn. We realiseren
ons echter nauwelijks dát we zo’n relatie al hebben, en altijd
gehad hebben.
Als ik dit deel van het gebed tot God bid,
voeg ik er in gedachten vaak spontaan ‘ondanks alles’ eraan
toe. God is ondanks alles bij me gebleven. We hebben allemaal
onze eigen versies waar ‘ondanks alles’ voor staat. Maar al
die versies komen op één ding neer: wij zijn van Hem weggegaan.
Wij dumpten Hem voor andere liefdes. Echter, zelfs terwijl wij
wegreden, klom Hij op de achterbank. Hoewel wij Hem verlieten,
bleef Hij bij ons. Daarom slaagden we er in werkelijkheid helemaal
niet in Hem te verlaten. En dat is een reden voor oneindige
dankbaarheid. Hem ieder uur van iedere dag danken is nauwelijks
een begin om dat in woorden uit te drukken.
‘en
er altijd zult zijn om mijn roep tot Jou
te horen en mij antwoord
te geven’.
Hier volgen nog meer redenen om God ieder uur
te danken. Als je geluk hebt zijn er bepaalde mensen in je leven
die er altijd voor jou geweest zijn. Welk groter geschenk kan
iemand in deze wereld bezitten? Hoe kun je deze mensen ooit
de diepte van jouw dankbaarheid duidelijk maken? Deze zin zet
God neer als een soort volmaakte, altijd aanwezige variant van
deze mensen. Zó zeker ben jij van Zijn trouw dat je Hem bij
voorbaat bedankt. Net dankte je Hem ervoor dat Hij tot nu toe
steeds bij je gebleven is. Nu dank je Hem omdat je erop vertrouwt
dat Hij voor altijd bij
jou zal blijven.
Maar Hij zal nog meer doen dan alleen maar
bij je blijven. Hij
zal er ‘altijd zijn’ voor jou. Hij zal iedere roep
van jou horen en iedere roep beantwoorden. Wat zijn dit voor
‘roepen’? Ze worden niet alleen maar beperkt tot jouw bewuste
gebeden. Volgens de Cursus is iedere gedachte en ieder gevoel,
elk beetje pijn of plezier, alles wat jij ervaart of doet, een
roep tot jouw Vader, een roep om Zijn Liefde. Deze zin loopt
dus vooruit op het feit dat hij werkelijk iedere roep zal horen
en elk ervan zal beantwoorden met Zijn Liefde.
Een heel mooi voorbeeld hiervan is te vinden
in les 267: ‘Elke hartslag roept Zijn Naam en krijgt telkens
antwoord van Zijn Stem die me verzekert dat ik thuis ben in
Hem’ (WdII.267.1:7). Wat een prachtig
beeld. Iedere hartslag, zo zegt deze zin, roept Zijn Naam. Je
roept hem 60, misschien wel 90 keer per minuut. En wat is de
roep van jouw hart? Is het niet om bemind te willen worden,
ergens bij te horen, een thuis te hebben? Op iedere hartslag
dus antwoordt God jou en verzekert Hij jou dat Hij jou liefheeft,
dat je een thuis hebt in Hem.
Natuurlijk vertrouwen de meesten van ons er
niet werkelijk op dat God iedere roep hoort en al helemaal niet
dat Hij antwoord geeft. Maar stel je eens even voor dat de Cursus
gelijk heeft, dat God er altijd is, jou nooit verlaat en je
nooit teleurstelt, oneindig geduldig is en in stilte iedere
smeekbede hoort die Hij onmiddellijk beantwoordt met al Zijn
Liefde? Wat, als dit de hele tijd door gebeurt en jij je behoorlijk
doof voor Hem hebt gehouden? Stel je nu voor dat jij in Zíjn
positie verkeert, met volkomen aandacht voor iemand die zelden
of nooit opmerkte dat jij daar was. Had jij al die tijd liefdevol
kunnen wachten, zoals Hij heeft gedaan? Of zou jij in plaats
daarvan niet intussen tegen die persoon gegild hebben, verveeld
zijn geraakt en je uit de voeten hebben gemaakt? Het feit dat
God niets van dit alles heeft gedaan, is nog meer reden Hem
ieder uur te danken.
‘Wanneer
de avond valt,
laat dan al mijn gedachten
nog steeds
bij Jou en Jouw Liefde
zijn’
En er komt geen einde aan. Dit samenzijn met
God is de hele dag doorgegaan, ieder uur en iedere minuut. En
‘wanneer de avond valt’ houdt het nog steeds aan. Het vallen
van de avond verbinden we vaak met een vredige tijd van rust.
De dag loopt ten einde en we kunnen simpelweg ontspannen en
van dat einde genieten, terwijl we kijken naar de zonsondergang
en het opkomen van de sterren. De avond kan een vervullende
afsluiting zijn van een succesvolle dag, of een broodnodige
rust na een hectische dag.
Hier, in deze zin van het gebed, is de avond
niet een uitrusten thuis, na onze drukke activiteiten in de
wereld. De avond is eerder een voortzetting van een rusten,
een nog dieper ervaren van thuis zijn, dat de hele dag
al voortduurt. We hebben de hele dag rustend op de veranda met
onze Liefde doorgebracht. En nu ‘wanneer de avond valt’ en we
nog steeds bij Hem zijn, wordt onze vrede zelfs nog dieper.
‘Laat al mijn gedachten nog steeds bij Jou
en Jouw Liefde zijn’. Nogmaals, tegen wie zou je dit willen
zeggen? Is er in onze normale beleving iets waar wij al onze
gedachten aan zouden kunnen wijden, zonder van verveling te
sterven? Niets lijkt interessant genoeg. Daarom fladderen onze
gedachten zo vaak heen en weer, als vlinders die miezerige druppeltjes
opzuigen terwijl ze van de ene na de andere verdorde bloem dolen.
Bedenk wat een enorme liefde we zouden moeten voelen, voordat
we werkelijk konden zeggen: ‘Laat al mijn gedachten betrekking
hebben op jou’. Bedenk hoe innig geliefd
we ons zouden moeten voelen om werkelijk te kunnen zeggen: ‘Laat
al mijn gedachten betrekking hebben op jouw liefde voor mij’.
Iets in ons verlangt ernaar deze woorden tegen
iemand te zeggen. Maar tegen wie ter wereld zouden we ze in
alle oprechtheid kunnen zeggen? Tenminste voor langere tijd?
De indruk die ik uit deze zin en uit het hele gebed krijg is
dat God een verlangen in ons hart kan beantwoorden waar niets
anders ter wereld toe in staat is. Ons hele wezen roept om zo’n
relatie, maar er is niets in deze wereld waar we die kunnen
vinden. We kunnen die echter wel vinden bij God.
Stel je voor dat je juist vandaag een avond
zoals deze zult ervaren. Stel je voor dat je na een hele dag
van koestering in de zonneschijn van Gods Liefde nu aankomt
in de vredige gloed van de zonsondergang, en ontdekt dat al
je gedachten nog steeds bij Hem en Zijn Liefde zijn. Als dit werkelijk gebeurde,
zou dit dan niet de allerbeste avond zijn die je ooit hebt gehad?
‘En
laat mij slapen, zeker van mijn geborgenheid,
verzekerd van Jouw zorg
en me er blij van bewust
dat ik Jouw Zoon ben’.
En het gaat nog steeds door, zelfs als de tijd
aanbreekt om naar bed te gaan en het gebed ten einde loopt.
We nemen ons rusten met God mee in onze slaap. Ik geloof dat
deze zinnen spreken over een diepe behoefte in ons, een behoefte
aan een soort slaap die we altijd al willen, maar misschien
nooit ervaren. We willen allemaal dat slaap meer is dan alleen
maar fysieke rust. We willen dat onze geest werkelijk alle zorgen
los kan laten en in een staat van pure vrede kan wegglijden.
We verlangen ernaar te rusten in een gedachte die volkomen zeker
en eindeloos gelukkig is. We willen in slaap vallen in een vreugdevol
bewustzijn, met een glimlach op ons gezicht en een arm om onze
geliefde heen. Dat zou rust zijn voor de geest en niet alleen maar voor het lichaam.
Maar hoe vaak ervaren we dit soort slaap? Gewoonlijk
slepen we onze zorgen met ons mee de slaap in. Onze mentale
vuisten blijven gebald, zelfs terwijl ons lichaam ontspant.
We hebben geen gedachte waarin we volkomen kunnen rusten, geen
gedachte die prettig en zeker genoeg is om een glimlach op ons
gezicht te toveren en daar te laten terwijl we ons in de slaap
laten wegglijden. Stel je dan eens de manier van slapen voor
waar deze laatste zin van dit gebed over spreekt. Laten we de
drie laatste zinnen nog eens één voor één doornemen:
‘Zeker van mijn geborgenheid’
Slaap is een tijd van fysieke kwetsbaarheid.
Terwijl we daar liggen, versuft op ons kussen, zou ons van alles
aangedaan kunnen worden. En daarom voelt iets in onze geest
zich dus niet veilig genoeg om zich volledig over te geven.
Als we volkomen zeker van onze veiligheid in God waren, als
we wisten dat terwijl we sliepen, onze Geliefde Zijn Armen om
ons heen had, hoe zouden we ons dan níet over kunnen geven?
‘Verzekerd van Jouw zorg’
Op dezelfde manier is iets in onze geest onwillig
om onze zorgen volledig los te laten. Als wij ons er geen zorgen over maken, wie dan wel? Maar stel je eens
voor te gaan slapen terwijl we absoluut zeker zijn van Gods zorg. Als we wisten dat we door Zijn zorg omhuld werden, welke
behoefte zou er dan nog zijn aan onze zorgen vast te blijven
houden?
‘En me er blij van bewust
dat ik Jouw Zoon ben’.
Iets anders dat onze geest afhoudt van werkelijke
rust is een gevoel van er niet bij te horen, alleen te zijn.
We kunnen ons zelfs alleen voelen wanneer onze partner ons omarmt.
Als we werkelijk geloofden dat we Gods Zoon waren, Zijn Oogappel,
hét onderwerp van al Zijn Liefde, de erfgenaam van al het Zijne,
zou er dan een vreugdevollere gedachte kunnen zijn? Stel je
eens voor dat je in je slaap wegglijdt in dat blije bewustzijn.
Is dat niet het soort rust waar we altijd naar verlangd hebben?
Ik heb het gehad over het vasthouden aan deze
gedachten terwijl we in slaap soesden, maar het gebed zegt iets
nog veel krachtigers. Het spreekt over in deze gedachten verblijven
terwijl we slapen. Hoewel
we slaap als een toestand van totale onbewustheid beschouwen,
is dit niet het geval. Wetenschappers die de slaap onderzoeken
hebben ontdekt dat proefpersonen, zelfs als deze uit de diepste
slaap ontwaakt waren, melding doen van gedachtenreeksen. Natuurlijk
zijn de gedachten die gedurende onze slaap door onze geest gaan
over het algemeen bizar en onsamenhangend. Maar er gaan
gedachten door ons heen. Hoe zou het dan zijn de hele nacht
te slapen, alleen maar vervuld van deze gedachten: ’zeker
van mijn geborgenheid, verzekerd van Jouw zorg, en me er blij
van bewust dat ik Jouw Zoon ben’?
Nu is het gebed tot een einde gekomen en heb
je de hele dag met God doorgebracht. Hij was het eerste wat
in je gedachten opkwam toen je wakker werd. Iedere minuut van
de dag vertoefde je bij Hem en koesterde jij je in de zonneschijn
van Zijn Liefde. Ieder uur dat voorbijging bracht jij je eeuwige
dankbaarheid tot uiting. Toen de avond viel ging jouw rusten
door, terwijl al je gedachten nog steeds bij Hem waren. En zelfs
terwijl je sliep, ging het nog steeds de hele nacht door. Nadat
je de nacht op deze wijze hebt doorgebracht, kun je dan raden
wat je gedachten zouden zijn als je de volgende ochtend wakker
werd? En hoe de volgende dag zou zijn? Het zou nog steeds doorgaan!
En zo hoort het te zijn, zegt de zin die direct op het gebed
volgt: ‘Zo hoort elke dag te zijn’.