|
Hoe lang duurt
het tot ik hier vanaf ben?
door Robert Perry
In mijn dagen als Christen was
het makkelijk om te weten wanneer de verlossing zou komen: Als
je dood ging kwam je in de Hemel. Maar nu ik een Coursestudent
ben is het toch een beetje ingewikkelder. De Cursus weerlegt de
traditionele zienswijze dat de fysieke dood de hemelpoort zou
zijn: ‘Misschien denk je dat dit door de dood volbracht wordt,
maar niets wordt door de dood volbracht, omdat de dood niets is’
(T6.V.A.1:2). Volgens de Cursus kabbelt
onze reis door tijd en ruimte al miljoenen jaren voort. Dit leven
is slechts een klein kamertje tijdens onze toch door duizenden
wolkenkrabbers. Wie weet hoe lang deze tocht nog zal duren?
Ik geloof dat deze vraag een bron van angst is voor
vele, zo niet alle Coursestudenten. De angst wordt zichtbaar in
de vorm van vele knagende vragen ergens in ons achterhoofd: ‘Hoe
maak ik het? Hoe is mijn vooruitgang? Hoe dicht ben ik het einde
al genaderd? Is dit mijn laatste leven? Werk ik misschien alleen
maar mijn laatste lessen af? Ben ik misschien al klaar en wacht
ik enkel op God om de laatste stap te nemen? Zal ik het ooit halen?
Ben ik misschien een hopeloos geval? Zal iedereen er vóór mij
zijn? Als het honderden of zelfs miljoenen jaren duurt om het
doel te bereiken, is het dan wel de moeite waard om door te gaan?
Kan ik mijn inspanningen zo lang volhouden?’
In dit artikel wil ik graag mijn visie aanbieden op
de vraag hoe lang het duurt tot we in de Hemel komen. Ik wil de
lezer bij voorbaat waarschuwen dat mijn zienswijze hieromtrent
voor Coursestudenten extreem is. Ik kan niet zeggen dat ik in
bezit ben van de absolute waarheid over dit onderwerp. Ik heb
alleen maar mijn eigen begrip, gebaseerd op mijn studie van de
Cursus, van enkele andere leringen en van de menselijke natuur.
Totale
verlossing is op elk moment beschikbaar
Een van de meest karakteristieke kenmerken van de Cursus
is hoe bereikbaar de verlossing wordt geacht. De Cursus legt de
nadruk erop dat de totale bevrijding van het ego en van de menselijke
conditie mogelijk is, gemakkelijk en natuurlijk (hij noemt verlossing
meer dan 20 keer ‘gemakkelijk’). Hij zegt dat er niets in het
universum is dat tussen ons en de verlossing staat behalve ons
eigen tekort aan bereidwilligheid. We hebben geen zondige natuur,
de wereld houdt ons niet tegen, en God legt ons geen eisen op.
De hemelpoorten staan wijd open, en alles wat we hoeven te doen
is binnenwandelen.
Als gevolg hiervan wordt op elk en ieder moment van
ons leven, dit inbegrepen, totale verlossing ons aangereikt. Ze
is vlak voor onze neus: ‘Ik hoef slechts mijn handen uit te
steken om haar te vinden’ (WdII.355.1:3). We hoeven
haar slechts meer te willen hebben dan haar te willen afslaan.
De nadruk van deze Cursus is altijd dezelfde: het is
op dit moment dat volledige verlossing jou aangeboden wordt, en
het is op dit moment dat je haar kunt accepteren. (H.24.6:1)
Veel spirituele systemen opperen dat er een noodzakelijk
programma van uiterlijke ervaringen bestaat die we moeten doorlopen
voordat we vervolmaakt worden. Als we dan een van de lessen tijdens
de weg overslaan ontstaat er een gat in onze ontwikkeling. Maar
de Cursus staat duidelijk buiten deze gedachtegang. Hij zegt dat
we overal tijdens de weg de uiteindelijke realisatie kunnen hebben
(H22.2:5). Hij zegt
dat een wonder ons in staat stelt om in één ogenblik te leren
wat anders een lange serie van uiterlijke lessen geduurd had en
we zodoende in staat zijn om deze lessen over te slaan (T1.II.6:5). Hij zegt dat we zelfs van de ervaringen
van anderen kunnen leren: ‘Je kunt van hun ervaringen leren,
en je kunt ervan winst boeken zonder ze zelf direct te ervaren’
(T6.I.10:5).
De voortdurende toon van de Cursus omtrent onze verlossing
is er een van hoop, zelfs zekerheid. We zullen het klaarspelen:
‘Het einde is zeker en wordt door God gegarandeerd’
(VvT.epiloog.1:10). Uiteindelijk hebben we in de eerste plaats
nooit werkelijk de Hemel verlaten. En zo gauw we leken
te vertrekken heeft de Heilige Geest ons teruggebracht. Nu herhalen
we eenvoudigweg mentaal een reis die al voorbij is. En zelfs deze
herhaling wordt gegarandeerd volbracht, in het bijzonder omdat
Jezus haar voor ons allen al volbracht heeft.
Deze optimistische houding wordt door heel de Cursus
heen in specifieke opmerkingen weerspiegeld. In de tekst wordt
ons herhaaldelijk verteld dat we dicht bij het einde van de reis
zijn. Hoofdstuk 16 staat bol van zulke verzekeringen:
Je bent de waarheid dicht genaderd ... (T16.IV.7:6). Want
je bent de waarheid te dicht genaderd om haar nu te ontkennen
... (T16.II.6:9). Wees
niet onwillig nu; je bent te dichtbij, en je zult in volmaakte
zekerheid de brug overgaan ... (T16.IV.2:5). De reis die zonder einde leek
is bijna compleet, want wat zonder einde is heel dichtbij.
Je hebt het bijna herkend (T16.IV.12:3-4).
In hoofdstuk 19 wordt ons herhaaldelijk verteld dat
enkel een minuscuul fragment van ons ego overgebleven is, een
‘kleine muur’, een ‘microscopisch overblijfsel’,
‘een klein veertje’, ‘een verdwijnende sneeuwvlok’.
Met andere woorden: de oorlog is voorbij, het ego is bijna opgelost.
‘Je hebt het einde van een eeuwenoude reis bereikt ...’
(T18.VIII.13:1).
In het werkboek gaan deze opmerkingen
door. Ons wordt herhaaldelijk gezegd dat we er bijna zijn:
Nu is de weg die we nog reizen kort. We zijn inderdaad
dicht bij het vastgestelde einde van de droom. (WdI.122.10:3-4). Het is heel dichtbij. Ik hoef nog maar een
ogenblik lang te wachten om voor eeuwig in vrede te zijn (cursief;
WdII.355.1:5-6).
Veel lessen lijken zelfs te beloven dat vandaag, door
juist deze les te doen, we het doel zullen bereiken: ‘Dit is
de dag wanneer heelwording ons deel wordt. Dit is de dag dat de
afscheiding eindigt en we ons herinneren Wie wij werkelijk zijn’
(WdI.140.12:7-8). In feite
brengen we het geheel van deel II van het Werkboek door met wachten
op God om de laatste stap te nemen en ons tot Hem op te tillen:
‘we wachten in stille verwachting op onze God ... [om] Zelf
de laatste stap te nemen’ (WdII.In.2:2-3).
Wanhoop over het bereiken van
het doel
Ik denk dat de Cursus deze optimistische toon om een
heel belangrijke reden vasthoudt. Terwijl we de hele tijd ons
glorieuze doel nastreven fluistert het ego ons in dat we het nooit
zullen klaarspelen: ‘Deze Cursus is te moeilijk, je zult het nooit
halen.’ ‘Geef je werkboekles van vandaag maar op, het is toch
hopeloos. Beter nog, geef het hele werkboek maar op’. ‘Dit concept
is beslist te verheven voor jou om het ooit te halen.’ ‘Waarom
zou ik vandaag proberen Jan te vergeven als ik Toos gisteren niet
vergeven heb?’ ‘Kijk naar Ans, ze is twee keer zo'n goede Coursestudent
als ik ooit worden zal.’
Natuurlijk ligt onder al deze kleine wanhopige stemmen
de Grote Wanhoop: het geloof dat we het niet waardig zijn om met
God samen te zijn en dat ook altijd zullen blijven. ‘Het [ego]
spreekt tot jou over de Hemel, maar verzekert je dat de Hemel
niet voor jou is. Hoe kan de schuldige hoop op de Hemel koesteren?’
(T15.I.3:6-7) Ergens diep
in onze geest zijn we er rotsvast van overtuigd dat wij en onze
Schepper van verschillende soort en uit verschillende universa
zijn, en dat die twee elkaar nooit zullen ontmoeten.
Deze wanhoop lijkt een objectieve vaststelling van de
feiten te zijn. Het lijkt erop alsof we de toestand van onze beperkingen
en de grootte van onze weerstand eerlijk beoordelen. Maar ironisch
genoeg is deze wanhoop zelf
een vorm van weerstand. Geloof komt van verlangen. We geloven
dat we onwaardig zijn om naar huis terug te keren omdat we er
nog steeds naar verlangen ervoor weg te lopen. Onze wanhoop
is daarom niet een rationele gevolgtrekking maar een intentieverklaring.
‘Ik twijfel of ik de terugweg naar huis haal’ betekent: ‘Ik wil
wegblijven’.
Maar dit is niet de bodemlaag van onze wanhoop. Onder
het hardnekkige aandringen van het ego dat we het niet kunnen
halen is zijn angst dat we het zullen
halen. Zodra we het spirituele pad bewandelen raakt het ego in
paniek. ‘En nu is het ego bang’ (T21.IV.7:1). Het vertelt ons dat al onze inspanningen waardeloos
zijn enkel omdat het angstig herkent dat ze effect hebben.
Op een nog dieper niveau is de oorzaak van onze wanhoop
een verkeerde identificatie met de wanhoop van het ego. ‘Het
is zijn eigen wanhoop die het in jou ziet’ (WdI.151.5:6). Het merkt
op dat het dit spel niet voor altijd vol kan houden, dat zijn
dagen geteld zijn. En als een laatste wanhoopspoging probeert
het ego ons ervan te overtuiging dat zijn
vertwijfelde poging om ons van thuis weg
te houden in werkelijkheid onze vertwijfelde poging is om thuis
te komen. In die zin kan onze wanhoop als een teken van vooruitgang beschouwd
worden, het ego maakt zich ongerust.
Ik geloof dat wanhoop een van de meest verlammende dingen
op het spirituele pad is. Als we daarom door haar zogenaamd redelijke
natuur heen kijken en ontdekken dat het een misleidende ego-truc
is kunnen we deze luchtbel van het ego uiteen laten spatten. Probeer
je de volgende keer, als je de hoop over je spirituele reis verliest,
dit te herinneren. Zeg tegen jezelf dat het in het geheel niet
hopeloos is, dat je het kunt en zult halen, dat je thuiskomst
gegarandeerd is. Herinner je eraan dat je wanhoop een dekmantel
is voor 1) je weerstand om te ontwaken 2) de erkenning van je
ego dat je ontwaakt en 3) zijn wanhoopsgevoel
dat het jou ontwaken niet kan tegenhouden.
Grootheidswaan
Wanhoop op het spirituele pad veroorzaakt nog een andere
ego-compensatie die misschien nog verlammender is dan de wanhoop
alleen. Dit wordt beschreven in de paragraaf ‘Grootheidswaan en
Grootsheid’ in hoofdstuk 9. De situatie is als volgt: We hadden
een ervaring van Gods grootsheid en als gevolg daarvan hebben
we gezien hoe klein en betekenisloos het ego is.
Wanneer dit gebeurt, zelfs terwijl het dit
niet begrijpt, gelooft het ego, dat zijn ‘vijand’ toegeslagen
geeft en probeert het ego geschenken aan te bieden om jou te bewegen
naar zijn ‘bescherming’ terug te keren. Zelfinflatie is het enige
aanbod dat het kan doen. De grootheidswaan van het ego is zijn
alternatief voor de grootsheid van God. Welke zal je kiezen?
Grootheidswaan is altijd een
dekmantel voor wanhoop. Hij is zonder hoop, omdat hij niet echt
is. Hij is een poging om jouw kleinheid tegen te gaan, dat gebaseerd
is op het geloof, dat deze kleinheid werkelijk is. Zonder dit
geloof is grootheidswaan zonder betekenis en zou jij er onmogelijk
naar kunnen verlangen. De kern van grootheidswaan is concurrentie,
omdat hij altijd aanval inhoudt. Hij is een misleidende poging
om te overtreffen, maar niet om ongedaan te maken. (T9.VIII.1:4-2)
Anders gezegd heb je een voorproef gehad van de werkelijke
grootsheid. Vervolgens voelt het ego zich bedreigd en biedt het
jou zijn vervalsing van grootsheid aan. Dit is grootheidswaan,
een staat van opgeblazenheid van jezelf waarin je je beter voelt,
meer gevorderd, specialer en heiliger dan anderen. Je accepteert
dit namaaksel omdat je vertwijfeld bent of je het ooit en voor
altijd werkelijk zult vinden. Diep in jezelf voel je dat je de
ware grootsheid nooit waard zult zijn en je genoegen moet nemen
met de vervalsing. Grootsheid is dus het bewijs van hoe klein
je je in werkelijkheid voelt.
Nu zul je er niet bewust van zijn hoe wanhopig je bent.
In tegendeel, je zult vervuld zijn van vervoering omdat je met
de laatste etappe van je spirituele reis bezig bent. Je zult je
ervan bewust zijn dat je een ongelooflijke spirituele zoeker bent,
een onverschrokken pionier, onderdeel van een spirituele elite,
een stralend licht tegen het mistroostige duister, één van de
duizenden.
Ik aarzel om hier dieper op in te gaan omdat ik merk
dat dit een gevoelige snaar raakt bij Coursestudenten. Ik aarzel
ook omdat ik mijn eigen arsenaal van oordelen hierover heb waarmee
ik mijn lezerskring niet wil lastigvallen. Misschien kunnen we
onze lange tenen en oordelen voor een ogenblik opzij zetten en
in naam van onze spirituele reis dit onderwerp zo eerlijk en objectief
mogelijk benaderen. Want ik geloof dat het belangrijk is om het
aan te raken. Laten we maar eerlijk zijn, wij studenten van de
Cursus zijn trots op deze bijzondere kwaal. Velen van ons denken
dat we erg gevorderd zijn ofwel al bijna verlicht.
Zoals ik al zei is dat een verlammende geestestoestand
op onze spirituele reis, en dat om meerdere redenen. Ten eerste
vernietigt het denken dat je al klaar bent (of bijna klaar) je
motivatie om meer vorderingen te maken. Ten tweede wordt deze
staat volgens mij gekenmerkt door massieve ontkenning. Te denken
dat je meer gevorderd bent dan je bent is alleen maar mogelijk
als je niet werkelijk naar je ego kijkt. Maar het hele pad van
de Cursus is kijken naar het ego, want we kunnen niets loslaten
als we niet weten dat het er is. Ten derde maakt het de aanval
een wezenlijk bestanddeel van onze weg tot God, want grootheidswaan
is een aanval, ‘een misleidende poging om te overtreffen, maar
niet om ongedaan te maken’. En ten slotte hebben we gezegd
dat grootheidswaan vermomde hopeloosheid is. Deze camouflage maakt
het zelfs nog moeilijker om haar te ontmaskeren en de basiswanhoop
aan te pakken die onze reis tot God zo zwaar maakt.
Hoe gevorderd zijn we?
Terwijl de Cursus enorm veel hoop voor ons koestert
toont hij niet bepaald een hoge waardering voor onze tegenwoordige
staat van ontwikkeling. Alle opmerkingen dat we zo dichtbij het
einde zijn hebben volgens mij meer te maken met de bereikbaarheid
van het einde dan met onze staat van vordering. Want tegenover
deze opmerkingen staan andere die somberder zijn:
Je begrijpt [de Cursus] nog niet, enkel omdat je hele
communicatie die is van een baby. (T22.I.6:3)
Want je bent nauwelijks begonnen om je toe te staan
je eerste onzekere stappen op de ladder omhoog te gaan waarlangs
de afscheiding je naar beneden leidde. (T28.III.1:2)
De meeste professionele therapeuten [dit zou
je kunnen generaliseren en lezen ‘de meeste leraren/leiders op
terreinen waar mensen beterschap zoeken’] zijn nog steeds bij
het prille begin van het beginstadium van hun eerste reis.
(P3.II.8:5)
Mijn persoonlijke mening hierover is dat wij Coursestudenten
ons op dit moment op een spirituele kleuterschool bevinden, mezelf
natuurlijk inbegrepen. Misschien zoeken we zelfs nog steeds naar
de ingang van het klaslokaal (zoals een vriend van mij het stelde).
Misschien heb ik het bij het verkeerde eind, misschien is dit
concept te beledigend. Maar waarom zou het dat zijn? Wat is er
verkeerd aan om in de kleuterklas te zitten? Als we ons door het
concept beledigd voelen, wat in ons is dan beledigd? Zou het misschien
de kleuter in ons zijn?
Ik denk dat
de Cursus het met me eens zou zijn dat het essentieel is om tevreden
te zijn met waar we zijn, in de naam van onze innerlijke vrede
en omdat het nutteloos is om te proberen lessen van universitair
niveau te leren als we het ABC nog niet eens onder de knie hebben.
Er is een passage in de Cursus die ons met name hieromtrent wil
aanmoedigen. Ze probeert ons te helpen verzoenen met waar we zijn
door te zeggen dat God ermee tevreden is: ‘God neemt je aan
waar je ook bent en verwelkomt je. Wat zou je meer kunnen wensen
als dit alles is wat je nodig hebt?’ (H26.4:10-11)
Aan de andere
kant zijn er natuurlijk mensen in de wereld die werkelijk gevorderd
zijn. We kunnen niet eenvoudig veronderstellen dat iedereen die
denkt dat hij gevorderd is in een enorme ontkenningsfase zit.
Hoe komen we achter het verschil? Ik weet niet alle antwoorden
op deze vraag. Om een indruk te krijgen hoe complex en subtiel
deze kwestie is hoef je alleen maar een huidige volgeling en een
ex-volgeling van dezelfde leider te nemen en ze met elkaar laten
uitzoeken hoe gevorderd deze leider nu eigenlijk is.
Ik kan wel een belangrijk contrast bedenken, namelijk
onze vorderingen meten aan de hand van onze eigen eisen ten opzichte
van hoe anderen op ons reageren. Stel je aan de ene kant voor
hoe veel van onze uitlatingen de onuitgesproken verdiensten over
onze ontwikkeling suggereren, b.v. onze spirituele prestaties,
gulle daden en verbazingwekkende ervaringen. Stel je verder voor
dat we de gekwelde pionier zijn, die ene die een weg baant voor
de radicale waarheid, terwijl anderen ons miskennen en verkeerd
met ons omgaan omdat ze in het duister verkeren en bang zijn voor
het verblindende licht dat we vertegenwoordigen. Zo gezien is
de negatieve en ongevoelige reactie van de wereld het bewijs van
het hoge plan waar we ons op bevinden (in plaats van het bewijs
dat we niet in staat zijn ons met de wereld te verhouden).
Hoevelen van ons kunnen zeggen dat de boven geschetste
beschrijving niet op hen van toepassing is, ten minste een klein
beetje? Volgens mij is deze beschrijving een klassiek kenmerk
van schijnvooruitgang. Na jaren mezelf en andere spirituele zoekers
geobserveerd te hebben heb ik de volgende vuistregel bedacht:
Alleen het ego beweert spiritueel gevorderd te zijn. De aanspraken
die we maken zijn dus hun eigen meest doeltreffende weerlegging.
Natuurlijk zal iemand die waarlijk gevorderd is geen valse bescheidenheid
veinzen, en in die zin is mijn vuistregel een beetje overdreven.
Misschien zou je moeten lezen: alleen maar het ego beweert regelmatig
spiritueel gevorderd te zijn. Jezus geeft ons in de Cursus een
heel leerzaam voorbeeld, want hij vermeldt maar zelden zijn eigen
staat van vordering. En als hij dit doet, dient het slechts om
ons te overtuigen dat hij in een uitstekende positie verkeerd
om ons te helpen.
Naast onze zelfgemaakte claims is het syndroom van de
‘gekwelde pionier’ ook een duidelijk teken van schijnvordering.
Want het doorstaat niet het onbetwistbare bewijs voor onze ontwikkelingsgraad:
hoe anderen op ons reageren. ‘Het is makkelijk om grootsheid
van grootheidswaan te onderscheiden, omdat liefde beantwoord wordt,
en trots niet’ (T9.VIII.8:1). Geloof
het of niet, maar hoe anderen op ons reageren is misschien dé
toets voor onze ontwikkeling. Dit idee wordt in de ‘Test voor
de Waarheid’ in hoofdstuk 14 gevonden. Het wordt ook in hoofdstuk
15 helder vastgesteld:
En je zult aan hun reacties herkennen wie je
gekozen hebt [ego of Heilige Geest]. Een Zoon van God die bevrijd is
... wordt altijd herkend. (T15.II.4:6-7)
Spirituele vordering die op onze zelfgemaakte aanspraken
rust is vals. Ware vordering wordt zichtbaar door hoe veel goddelijks
anderen in ons zien, hoezeer ze een warmte ervaren waar ze dichtbij
willen zijn, een vrede waardoor ze zich thuis voelen. Er wordt
gezegd dat een heilige iemand is die het makkelijk maakt om in
God te geloven
Deze maatstaf brengt natuurlijk zijn problemen met zich
mee, want er zijn er die een oplichter aanbidden en een avatar
willen kruisigen. Deze maatstaf kan ook vervalst worden door anderen
subtiel in te huren om ons op een voetstuk te zetten - wat het
zelfde is als deze aanspraken zelf te maken. Het kan ook een valkuil
worden als we ons uitsloven om indruk op anderen te maken en dan
uit te kijken naar hun bevestigende reacties. En toch heeft het
iets met het ego te maken als we onze vordering op het pad zelf
bepalen, en overstijgt het het ego als we ze aan de reacties van
anderen overlaten, aan de hoeveelheid licht dat hun gezichten
op ons terugkaatst.
Zullen we morgen hier vanaf zijn?
Maar zou het, ondanks het feit dat sommigen van ons
denken dat ze al bijna klaar zijn en zich in enige grootheidswaan
laten gaan, niet zo kunnen zijn dat ze het bij het rechte eind
hebben? Suggereert de Cursus niet dat we heel binnenkort uit de
droom van tijd en ruimte zullen ontwaken?
Eerlijk gezegd denk ik van niet. En daarin bevind ik
me waarschijnlijk in een zeer kleine minderheid. De Cursus belooft
regelmatig dat we op elk moment kunnen ontwaken. Maar nergens
belooft hij dat we dat moment spoedig
zullen meemaken. Het is aan God om de verlossing op elk moment
beschikbaar te maken. Het ligt aan ons wanneer we kiezen om van Gods aanbod
gebruik te maken. En zoals we weten kan er een bijna oneindig
verschil bestaan tussen de Wil van God en onze keuzes. De Cursus
zegt dat, ofschoon de Heilige Geest ons de hele verlossing in
een ogenblik kan leren, het ons een hele lange tijd kan kosten
om dat ogenblik aan Hem te geven: ‘Het duurt veel langer om
jou te onderwijzen om bereid te zijn om dit [ogenblik] aan Hem
te geven dan Hij nodig heeft om dit kleine ogenblik te gebruiken
om jou de hele Hemel aan te bieden’ (T15.I.11:4).
Het duidelijkste bewijs van het feit dat de Cursus verwacht
dat we er een tijd over zullen doen ligt in zijn beeld van ontwaken.
Zijn voornaamste voorstelling is er niet een van gewoon je gang
te gaan, toevallig Een Cursus in Wonderen oppakken en ineens door
een lichtflits van totale verwerkelijking getroffen te worden.
Zoals Allen Watson’s boekje De Reis naar Huis uiteenzet is het voornaamste
beeld van de Cursus er een van een reis waarin we vele te onderscheiden
stadia passeren. Anders gezegd ziet de Cursus onze thuiskomst
niet in termen van een plotsklaps ontwaken maar in een stapsgewijze
ontwikkeling. ‘Aan de overgrote meerderheid is een langzaam
ontvouwend trainingsprogramma gegeven’ (H9.1:7). ‘Elke kleine stap zal een beetje
van de duisternis ophelderen, en begrip zal uiteindelijk komen
om elke hoek van de geest te verlichten die bevrijd werd van de
hem verduisterende rommel’ (WdI.9.2:5).
Hoelang zal het duren voor er volledig begrip is om
onze geest te verlichten? Dat hangt uiteraard van onszelf af.
Maar de Cursus bevat vele aanwijzingen dat we te maken hebben
met zeer ruime tijdsdimensies.
De tijdsdimensies van de reis
Om enig idee van de tijdsdimensies te verkrijgen laat
ons naar deze zin kijken die vrij in het begin van de tekst staat:
Net zoals de afscheiding miljoenen jaren in beslag nam,
zal het Laatste Oordeel een evenredig lange periode duren, en
misschien zelfs langer. (T2.VIII.2:5)
De uitdrukking ‘miljoenen jaren’ is op zich al indrukwekkend,
maar maakt nog meer indruk als je de passage van dichterbij bekijkt.
Want ‘miljoenen jaren’ slaat niet op de droom als geheel maar
op zijn pril begin en het allerlaatste einde. De afscheiding,
de gebeurtenis die het geheel in werking zette, ‘nam miljoenen
jaren in beslag’. Het Laatste Oordeel, de uiteindelijke heelwording,
die alleen maar begint als we heel dichtbij de perfectie gekomen
zijn, zal eveneens miljoenen jaren duren. Deze passage zegt niet:
‘De droom is al miljoenen jaren aan de gang en zal miljoenen jaren
duren totdat hij over is’. Het zegt iets dat veel extremer is:
‘Het prilste begin van de droom nam miljoenen jaren in beslag,
en zo zal ook zijn uiteindelijke afloop duren’.
Hier is natuurlijk sprake van een collectief proces.
Een individuele ervaring van het Laatste Oordeel hoeft niet miljoenen
jaren te duren. Een paar zinnen later worden we in feite aangespoord
om onze individuele geest ‘snel’ te bevrijden zodat we het collectieve
proces kunnen inkorten. Maar toch geeft ons deze passage een gevoel
voor het tijdsbestek waarmee we te maken hebben.
Als het alleen al miljoenen jaren duurde om zich af
te scheiden, hoe veel tijd is er dan niet na
de afscheiding voorbijgegaan? Dit is tamelijk eenvoudig bij benadering
te zeggen, ongeacht hoe schokkend het antwoord is. De afscheiding
is op z'n minst net zo oud als het fysieke universum omdat de
afscheiding het voortgebracht heeft. Wetenschappers schatten dat
het universum tussen de 14 en 20 miljard jaren oud is. De suggestie
is onthutsend: We wandelen op z'n minst al 14 miljard jaren in
de droom van afscheiding rond! Zulke tijdsdimensies gaan ons huidig
voorstellingsvermogen ver te boven. Voordat de dinosauriërs geboren
werden en stierven, voordat de aarde zich uit de oermaterie samenbalde,
droomden we al dat we beperkte en zondige individuen waren die
een bepaald soort vorm of lichaam hadden en die zich door een
of andere soort van tijd en ruimte bewogen en van hun Schepper
afgescheiden waren. Mijn God, wat hebben we in al die tijd toch
gedaan? Hoe konden we de afscheiding zo lang door laten gaan?
Dit kolossale tijdskader geeft ons enig perspectief van waaruit
we de volgende passage kunnen bekijken:
Tijd gaat dus in wezen terug naar een ogenblik dat zo
lang geleden is dat het voorbij elke herinnering ligt, en zelfs
voorbij elke mogelijkheid tot herinnering. (H2.4:1)
Nochtans je zult in ontelbare situaties kiezen, en door
de tijd heen die geen einde lijkt te hebben, tot dat de waarheid
je keuze is. (T24.VI.7:2)
Een andere wenk omtrent de tijdsdimensies van de reis
wordt ons gegeven als er gezegd wordt dat we ‘eeuwen van inspanning’
(T18.VII.7:3) kunnen besparen
en dat ‘vaak duizend jaar of meer bespaard kunnen worden’
(WdI.97.3:2). Als we
zulke enorme stukken uit onze hele reis kunnen halen, hoe lang
moet dan niet de hele reis zelf duren?
Een laatste opmerking: Verlossing werd ons al die tijd,
elk moment weer, miljarden jaren lang voorgehouden, en we hebben
haar aanbod nog steeds niet aangenomen. In al die tijd waren het
‘inderdaad maar weinigen’ (H26.3:9) die het deden; er heeft nog geen ‘alomvattend ontwaken’
(T2.I.3:7) plaatsgevonden. Van deze handvol was Jezus de eerste
en blijft ‘de enige volledig Ware Getuige voor God’ (zoals hij
Helen en Bill vertelde; zie Absence
from Felicity, p.229). Denk je werkelijk, als je alles bij
elkaar neemt, dat het waarschijnlijk is dat we morgen volledige
verlichting zullen accepteren omdat we dit nieuwe boek in de kast
hebben staan?
De reis door de Cursus
De weg die we verondersteld worden door het Courseprogramma
te reizen suggereert ook een stapsgewijs ontwaken in plaats van
ogenblikkelijke verlichting. Eerst komt de Tekst die ons herhaaldelijk
belooft dat - als we het maar werkelijk zouden begrijpen - onze reis over zal zijn. Maar zoveel Jezus dit ook belooft volgt
op de Tekst het Werkboek dat veronderstelt dat we niet begrepen wat de Tekst zei. In les 39 zegt hij dat als we de Tekst
werkelijk hadden begrepen ‘je helemaal geen werkboek nodig
zou hebben. Niemand hoeft te oefenen om te bereiken wat hij al
is’ (WdI.39.2:5-6).
Het Werkboek volgt hetzelfde patroon: er wordt herhaaldelijk
beloofd dat verlossing juist deze dag de onze kan zijn. Maar na
elke belofte komt de volgende dag met de volgende les die doet
alsof we ons nog steeds min of meer op dezelfde plaats bevinden.
Dan bereiken we uiteindelijk de eindstreep waar ons verteld wordt
dat het werkboek ‘een begin is en geen einde’ (WdII.E.1:1). We worden geacht om als weleer te oefenen, maar nu
onder leiding van de Heilige Geest in plaats van het Werkboek.
Dan komt het Handboek voor Leraren waar we kunnen ontdekken
dat al onze moeite die we in het Werkboek geďnvesteerd hebben
ons enkel kwalificeert als een beginnende leraar van God (H16.3:6-7) met definitief
de status van een beginneling. En dit veronderstelt dat we het
Werkboek grofweg volgens de richtlijnen gedaan hebben, waarvan
ik geloof dat maar weinigen van ons het doen. En zelfs als we
dan eenmaal een leraar van God zijn maakt het Handboek voor Leraren
ons duidelijk dat we nog steeds een lange ontwikkeling door zullen
moeten maken.
In één opvatting van deze vooruitgang (voornamelijk
in hoofdstuk 2, ‘Wie zijn hun leerlingen?’) wordt gezegd
dat als we een leraar van God zijn onze leerlingen onzichtbaar
tot ons aangetrokken worden. We vormen dan leraar-leerling relaties
die na verloop van tijd ons ertoe brengen om het bewustzijn los
te laten van alle begrenzingen die we tussen onszelf en onze leerlingen
geplaatst hebben. Als we dit gevoel van eenheid met onze leerlingen
bereiken worden we op een hoger niveau getild: gevorderde leraar
van God (H4.1:6). En dan moeten we ons vermoedelijk naar de volgende rang optrekken
en ‘onbeschrijfelijke hoogten beklimmen terwijl je voortgaat’
(H19.2:7) totdat we
de uiteindelijke staat van Leraar der leraren bereikt hebben.
In een andere versie van deze ontwikkeling (H4.I.A) doorloopt
de leraar van God zes stadia. Na drie uitputtende stadia komt
de leraar van God tot rust, maar ‘is nog niet zo ver gekomen
als hij denkt’ (H4.I.A.6:10). Op het
vijfde niveau ziet hij zich geconfronteerd met ‘een toestand
die misschien voor lange lange tijd onmogelijk blijft’ (H4.I.A.7:7). Uiteindelijk,
na al wat hij geleerd heeft, bereikt hij ‘een periode van voltooiing’
(H4.I.A.8:1) enkel in het zesde en laatste stadium.
Denken
dat we al verder zijn dan het geval is
De rest van
de Cursus ondersteunt het idee dat we denken dat we verder zijn
dan het geval is, en dat we er geen idee van hebben hoe het in
elkaar zit, tot tegen het einde van de reis. De illusie dat we
meer gevorderd zijn dan we in feite zijn overschaduwt onze gehele
reis. Want het ego handhaaft zich altijd door zich als iets te
vermommen dat geestelijk veel gezonder, verstandiger, onschuldiger
en heiliger lijkt.
Voordat we
de reis beginnen (op een bewuste, opzettelijke manier) is de kans
groot dat we denken dat we geestelijk volledig gezond zijn - het
is de rest van de wereld die gek is. En nadat we eenmaal onze
voet op het pad gezet hebben ervaren we vaak wittebroodsweken
waarin we een glimp van het uiteindelijke doel opvangen en overweldigd
worden door hoe dichtbij en hoe bereikbaar het allemaal lijkt.
Volgens mij komt het door deze wittebroodsweken dat we denken
dat we al bijna verlicht zijn. Ironisch genoeg beëindigen we niet
de reis maar beginnen we er net aan.
En zelfs
als we hoger op de spirituele ladder geklommen zijn zullen we
nog steeds buitengewoon kwetsbaar voor het ego blijven. ‘Zelfs
de meest gevorderde leraar van God zal aan de verleiding in deze
wereld toegeven’ (H23.1:2). Als we
kijken naar wat de Cursus zegt en naar de valkuilen van tegenwoordige
leiders lijkt het alsof het hoofdgevaar gelegen is in de zelfoverschatting
die we al eerder besproken hebben. Je hebt maar weinig verbeeldingskracht
nodig om te zien wat de gevolgen van deze overschatting voor ons
zelfbeeld zijn.
Op een bepaalde
manier is deze zelfoverschatting begrijpelijk omdat we inderdaad
wijzer, liefdevoller en machtiger worden
dan de omgeving lijkt te zijn. Maar deze waarneming kan ons
ertoe verleiden om ons falende ego een nieuwe kans te geven. Dit
is precies het idee dat in het Handboek voor Leraren besproken
wordt m.b.t. paranormale of bovennatuurlijke vermogens. Er wordt
gezegd dat, al hebben we ons belang in wereldse materiële gaven
opgegeven, het ego deze nieuw ontdekte mediamieke vermogens gebruiken
kan om ‘zichzelf te verheerlijken’ en zodoende ‘door
slinksheid kracht terug kan winnen’ (H25.4:7,5:3).
Pas aan het einde van de reis worden we geestelijk echt
gezond. Pas als we de werkelijke wereld bereiken en het Laatste
Oordeel binnengaan zijn we volledig in staat om zinnig te kiezen.
‘In deze [wereld] is keuze onmogelijk gemaakt. In de werkelijke
wereld wordt het kiezen vereenvoudigd’ (T26.III.4:9-10). Hoe kan het anders? De enige waarlijk
verstandige keuze is om uit de droom te ontwaken. Totdat we die
keuze maken zijn we waanzinnig. En wie zijn wij dan - in al onze
waanzin - om te beoordelen hoe ver we gevorderd zijn?
De ideale houding
Hoe behoren we dan onze spirituele reis te zien? We
hebben twee fundamentele dingen vastgesteld: 1) We kunnen op elk
gegeven moment ontwaken, 2) het kan honderden, duizenden of zelfs
miljoenen jaren duren voordat we dat moment laten komen. Wat gaan
we met deze twee verschillende gegevens doen? Er is een passage
in de Cursus die precies hierover gaat:
De vooruitgang
van de leraar van God kan langzaam of snel gaan, afhankelijk ervan
of hij de alomvattendheid van de Verzoening herkent, of dat hij
een tijdlang sommige probleemgebieden ervan kan uitsluiten. In
sommige gevallen is er een plotseling en compleet bewustzijn
van de volmaakte toepasbaarheid van de les van Verzoening op
alle situaties, maar dit komt relatief zelden voor. De leraar
van God kan de functie, die God hem gaf, geaccepteerd hebben lang
voordat hij alles geleerd heeft wat deze acceptatie voor hem inhoudt.
Allen het einde is zeker. Ergens onderweg kan het nodige besef
van alomvattendheid hem bereiken. Als de weg lang lijkt, laat
hem tevreden zijn. Hij heeft beslist welke richting hij nemen
wil. Wat meer werd hem gevraagd? En als hij eenmaal gedaan heeft
wat vereist was, zou God de rest dan achterhouden? (H22.2)
In deze alinea lees ik een aantal dingen. Ten eerste
hangt de snelheid van onze vooruitgang ervan af hoe weinig probleemgebieden
we van de Heilige Geest uitsluiten. Ten tweede kunnen we elk willekeurig
ogenblik ontwaken op een punt ergens langs de weg. Dit plotselinge
ontwaken is echter ‘relatief zelden’ (Ik heb het gevoel dat het
woord ‘relatief’ hier op een voor de Cursus typerende manier zeer
zachtjes uitgedrukt is - ‘extreem’ zou waarschijnlijk dichter
bij de letterlijke waarheid liggen). En ten derde: ongeacht de
tijd dat het lijkt te duren zouden we tevreden zijn. Waarom? Omdat
het einde absoluut zeker is. Het woord ‘tevreden’ is essentieel.
Merk op dat hier niet gezegd wordt: ‘Als de weg lang lijkt laat
hem dan beseffen dat hij een nodeloze slomerik is die vervolgens
in ogenblikkelijke transcendentie gekatapulteerd wordt.’
Naar mijn idee bevat deze alinea de ideale houding voor
de reis. Vóór alles zouden we ons eraan kunnen herinneren dat
elke dag, elk moment misschien onze laatste kan zijn; niet omdat
we misschien sterven maar omdat we misschien ontwaken. ‘...het
is dit ogenblik waarin je volledige verlossing aangeboden wordt,
en het is dit ogenblik waarin je haar kunt accepteren.’ Dit
gevoel van nabijheid en beschikbaarheid van de Hemel is cruciaal.
Elke ochtend zouden we moeten opstaan met de gedachte: ‘Vandaag
zou de dag kunnen zijn.’ Niet omdat we spiritueel bijzonder gevorderd
zijn, maar omdat we misschien vandaag, tegen alle gewoonte in,
ervoor kiezen om waarlijk open te staan voor een grootsere les.
Maar aan dit optimisme zou er ook een gebrek aan angst
omtrent timing gekoppeld
moeten zijn:
Zij die zeker zijn van de uitkomst [ons uiteindelijke
ontwaken] kunnen zich veroorloven te wachten, en wel zonder angst.
Geduld is voor de leraar van God natuurlijk. Alles wat hij ziet
is verzekerd van resultaat, misschien op een tijdstip dat hij
nog niet weet, maar dat niet betwijfeld wordt. (H4.VIII.1:1-3)
De Cursus jaagt ons nooit op om binnen een bepaalde
tijd te moeten ontwaken, om een deadline te moeten halen. Je kunt
je makkelijk voorstellen welke spanning en druk deze houding op
ons spirituele pad zou geven, welke kritieke stappen we daardoor
geneigd zijn om over te slaan, en het gevoel van ego-streven en/of
wanhoop dat er misschien achter zit. De kwestie zou niet mogen
zijn of onze thuiskomst morgen of 10.000 na Christus is - we zouden
in alle gevallen tevreden moeten zijn. Het punt is enkel dat het gebeuren zal.
Wat is er dus aan de hand als we voor nog eens enkele
duizend jaren hier in de droom blijven? Tijd is onwerkelijk. ‘Wanneer
hij [bevrijding] vindt is slechts een kwestie van tijd, en tijd
is niets anders dan een illusie’ (T13.I.5:5). De Cursus heeft een zeer nonchalante
houding ten opzichte van immense tijdsdimensies. ‘Wat zijn
honderd of duizend jaren voor Hen [God en Christus], of tienduizenden?’
(T26.IX.4:1) Per slot
van rekening duurden de miljarden jaren van de gehele droom alleen
maar een ‘nietig ogenblik’ en ‘gingen in de Hemel te
snel voorbij om ontdekt te kunnen worden dat hij er was’ (T26.V.5:1). Als we tijd vanuit een geheeld
perspectief zouden kunnen zien zouden de tienduizend jaar die
we hier nog langer blijven als niets lijken. Ongedurigheid om
hier snel weg te zijn laat dus zien dat we geloven dat tijd echt
is. En dit geloof in tijd ketent onze geesten er steeds steviger
aan vast. De ware leraar van God hecht geen belang aan tijd. ‘De
Verzoening zou je kunnen vergelijken met een totale ontsnapping
uit het verleden en totale desinteresse in de toekomst’ (H24.6:3).
Als je de twee delen bij elkaar voegt, die ik de ideale
houding noemde, krijg je het volgende: ‘Ik mag optimistisch zijn
omdat mijn thuiskomst vandaag zou kunnen gebeuren. Maar ik kan
het me ook veroorloven om geduldig te zijn omdat mijn thuiskomst
onvermijdelijk is.’ Persoonlijk denk ik dat we het hierbij zouden
moeten laten.
Volledige transcendentie: een
onrealistisch doel
Een andere passage in het Handboek voor Leraren gaat
over dezelfde kwestie. Terwijl het veel van de voorgaande paragraaf
herhaalt wordt er een belangrijke nieuwe draai aan gegeven. Het
hoofdstuk ‘Kan God rechtstreeks bereikt worden?’ (H26) is werkelijk
het antwoord van de Cursus op onze traditionele mystieke zoektocht.
In de derde alinea behandelt het een traditioneel doel van de
mystici: de ervaring bereiken van een rechtstreekse vereniging
met God en haar dan blijvend vasthouden ‘voor de meeste tijd
op aarde’ (3:3). De Cursus
zegt dat dit mogelijk is, maar voegt eraan toe dat ‘dit zo
zeldzaam is dat het niet als een realistisch doel beschouwd kan
worden. Als het gebeurt zo zij het. Als het niet gebeurt, zo zij
het ook’ (3:4-6).
Dit zijn zeer betekenisvolle opmerkingen. Het maakt
ons duidelijk dat ons doel niet zou moeten zijn om voortdurende
mystieke eenheid tijdens ons aardse bestaan te zoeken. Belangrijker
nog, ons doel zou ook niet dat extremere moeten zijn van uiteindelijke
transcendentie waarin we ‘God rechtstreeks bereiken, geen spoor
van wereldse beperkingen vasthouden’ (2:1), waarin
ons lichaam verdwijnt (zie Jezus' commentaar over de verdwijning
van zijn lichaam in Absence
from Felicity, p. 398-399) en wij een Leraar der leraren worden
(2:2). Want deze
uiteindelijke transcendentie is datgene waar voortdurende mystieke
eenheid naar toe leidt.
‘Als God in een ononderbroken bewustzijnstoestand rechtstreeks
bereikt zou worden zou het lichaam niet lang in stand gehouden
kunnen worden’ (3:8). Met andere
woorden, ons doel zou niet permanente mystieke eenheid moeten
zijn terwijl we op de aarde vertoeven, noch behoort het de uiteindelijke
transcendentie te zijn waarin we ‘ertussenuit knijpen’ zoals Jezus
deed.
De Tekst gaat dan verder om ons te troosten met het
feit dat we nog steeds een ego hebben: ‘Wanhoop dus niet vanwege
je beperkingen. Het is je functie om daar aan te ontsnappen, maar
niet om zonder hen te zijn’ (4:1-2).
Het idee erachter is dat het o.k. is om nog steeds een ego te hebben, en dat om meerdere
redenen. Ten eerste hebben de Leraren der leraren, diegenen die
volledig getranscendeerd zijn, ‘helpers nodig die nog steeds
in slavernij zijn en nog steeds slapen, zo dat door hun ontwaken
Gods Stem gehoord kan worden’ (3:10). Ten tweede
hebben diegenen die we dienen ons nodig om ‘hun taal te spreken’
(4:3). En ten
derde is het zo dat als we anderen willen bevrijden, we van hun
probleem een grondig begrip uit eerste hand moeten hebben: ‘Als
je een verlosser wilt zijn moet je begrijpen waaraan te ontsnappen
is’ (4:4).
Dit alles leidt tot de rake kernzin van dit hoofdstuk:
‘Laat ons daarom niet te veel bezig houden met doelen waar
je nog niet klaar voor bent’ (4:9). Dit is alleen maar een andere waarschuwing dat het
doel van ons streven niet
op de uiteindelijke, voortdurende vereniging met God gericht behoort
te zijn. Anders gezegd: het antwoord op ‘Kan God rechtstreeks
bereikt worden?’ is ‘Ja, maar maak niet dat tot je doel.’
Een realistisch doel
Blijkbaar is er een realistischer en beter bereikbaar
einde dat wel ons doel
behoort te zijn. Het slot van dit artikel zal zich met dit doel
bezighouden. Want het voorziet ons van een tegengif voor de wanhoop
op ons pad en ons naďef begrip dat we morgen alles al overstegen
zullen hebben. In feite wordt de hele aandacht voor de vraag:
‘Hoe lang duurt het tot ik hier van af ben?’ op een krachtige
manier bijgesteld.
Wat is dit doel nu? De sleutel wordt ons in een van
de bovengenoemde passages gegeven: ‘Als je een verlosser wilt
zijn....’ De kern van deze regels is dat we ons niet op het
naar God katapulteren zouden moeten richten, maar ons concentreren
op onze functie als verlosser of ‘helper’ naar ‘diegenen
die lijden’ (H26.3:10,4:3). Dus in
plaats van te proberen om boven deze wereld uit te stijgen behoren
we ernaar te streven om gelukkig, liefhebbend en waarlijk helpend
te zijn. We moeten er niet naar streven om de spirituele superman
te worden maar de helper die vrij is van ego.
Dit kan in de oren van vele Coursestudenten erg ongewoon
klinken, maar het is daadwerkelijk een hoofdthema in de Cursus.
De rode draad is dat het doel van de Cursus niet kennis is - puur
transcendent bewustzijn - maar geheelde waarneming. ‘Deze Cursus
zal je tot kennis leiden, maar kennis zelf ligt nog steeds buiten
het bereik van ons curriculum.’ (T18.IX.11:1). De volgende
passages illustreren dit punt rijkelijk:
Wees jij tevreden met heling [ zijnde een heler] ....
Kennis is ver voorbij je individuele zorg .... Je rol in de bevrijding
[als heler] leidt je tot [kennis] door haar eenheid in je geest
te herstellen. (T13.VIII.7)
Het zal ons niet interesseren wat voorbij de verlossing
in volmaakte zekerheid op ons wacht ... Enkel het wonder zal nu je zorg zijn. (T28.III.1:1,3)
Ervaring - niet geleerd, niet onderwezen, niet gezien
- is er eenvoudig. Dit ligt voorbij ons doel omdat het dat overstijgt
wat bereikt moet worden. Onze zorg is het Visioen van Christus.
Dat kunnen we bereiken. (WdI.158.6:4-7)
De waarheid omtrent wat we zijn is niet in woorden uit
te drukken of te beschrijven. Maar we kunnen ons van onze functie
hier bewust worden ... We zijn de brengers van verlossing ...
verlossers van de wereld ... We zoeken niet een functie die voorbij
de Hemelpoort ligt. Kennis zal terugkeren als wij ons deel gedaan
hebben. (WdII.14.2:4-3)
Deze passages vertellen ons met grote helderheid dat
totale transcendentie niet ons aangewezen doel is. Waarom? Omdat
het buiten ons bereik ligt. We zijn er niet alleen maar bij lange
na nog niet klaar voor maar wij kunnen het nooit laten gebeuren. Het
is God die ons uit de droom tilt. In de laatste stap is Hij de
Doener. Wij spelen een volstrekt passieve rol; we zijn zo ontvankelijk
voor God als het schoonste raam voor het licht. Hoe meer we dus
deze uiteindelijke transcendentie zelf actief nastreven, hoe meer
we ervoor zorgen dat ze niet kan gebeuren.
De Cursus spoort ons aan om de Hemel het doel van ons
verlangen te laten zijn:
‘Ik wil de hele Hemel en enkel de Hemel ...’ (WdI.89.3:6). Maar hij
zou niet het doel van ons streven
moeten zijn. We zouden ernaar verlangen om in de Hemel te ontwaken
terwijl onze inspanningen er enkel op gericht zijn om ons daarvoor
klaar te maken. Dit doen we door het raam schoon te wassen van
het ego. En dat doen we d.m.v. onze functie, namelijk het uitbreiden naar anderen. We
worden gelukkig en stralen vreugde uit. We maken ons geen zorgen
meer en verspreiden onze vrede. We worden vergevingsgezind en
verlichten anderen van hun schuldenlast.
Door dit gedaan te hebben zijn het onze broeders - en
niet wij - die ons wakker zullen maken. Hoe toepasselijk is dit
toch, want zij kennen het licht in ons beter dan wijzelf. Ze hebben
zijn volledige zegen ervaren, ze hebben ervaren hoe het hun pijn
genas. En als resultaat ‘zien ze meer in jou dan jezelf’
(T4.II.4:4). Vandaar dat zij het zijn die ons
uiteindelijk van Gods licht in ons zullen overtuigen:
Je kunt jezelf niet wakker maken. Maar je kunt jezelf
laten wekken. Je kunt aan de dromen van je broeder voorbijzien.
Je kunt hem zijn illusies zo volmaakt vergeven dat hij jouw verlosser
uit je dromen wordt ... Dit is de vonk die in de droom straalt
opdat je hem kunt helpen ontwaken en er zeker van bent dat zijn
ogen tijdens het ontwaken op jou rusten. (T29.III.3:2,5:6)
Het gewicht van de Cursus ligt dus niet op de transcendentie
maar op de relatie. We worden gered door anderen te redden. ‘Je
zult van iedereen, aan wie je bevrijding van schuld verleent,
onherroepelijk je eigen onschuld leren’ (T14.V.7:5).
Deze staat van waarachtig helpen kunnen we bereiken. Hij is binnen ons bereik. En hij is iets waar
we ons mee kunnen verhouden. Totale transcendentie overstijgt
ons huidig bevattingsvermogen en wordt dus gemakkelijk een armzalige
drijfveer of een projectiescherm voor alle mogelijke ego-fantasieën.
Maar een gelukkige, helpende en vergevende houding op aarde is
onmiddellijk betekenisvol en bereikbaar.
Wil je geluk, een vredige geest, zekerheid van doel
en een gevoel van waarde en van schoonheid dat deze wereld overstijgt?
Wil je voortdurend zorg en geborgenheid en de warmte van een zekere
bescherming? (WdI.122.1:4-5)
Deze staat van geest is ons aangewezen doel. Omdat het
doel bereikbaar is kan het de wanhoop verzachten die onze spirituele
reis ontmoedigt. Als gelukkige en helpende geesteshouding op aarde
neutraliseert het onze grootheidswaan en onze naďeve eerzucht
om deze wereld van pijn ogenblikkelijk te overstijgen. We kunnen
op aarde waarlijk gelukkig zijn. En zodoende transcenderen we
de aarde. Door een stralend licht voor de wereld te worden schijnen
we alle hindernissen weg die God ervan weerhouden om te komen
en ons mee naar huis te nemen. Als je er dus werkelijk naar verlangt
om deze lijdende plaats te verlaten, span je dan met al je kracht
in om haar pijn te verzachten, om gelukkig, vergevingsgezind en
liefhebbend te worden terwijl je hier bent.
Conclusie
Vreemd genoeg werd de vraag ‘Hoe lang duurt het tot
ik hier vanaf ben?’ gaandeweg steeds minder belangrijk. Ze werd
ook steeds minder beladen. Het is een vraag die niet alleen grootheidswaan
maar ook wanhoop oproept. Het is een vraag die zeer waarschijnlijk
voortkomt uit wrok om in deze wereld te zijn, maar juist wrok
is wat ons hier houdt. Bovendien maakt ze tijd werkelijk omdat
ze zich duidelijk met de toekomst bezighoudt. Het is een misleidende
vraag die ons hier eerder nog meer vastspijkert dan ons bevrijdt.
In plaats daarvan hebben we gezien dat de Cursus remedies
bevat voor ons angstig verlangen om te snel de benen te nemen.
We kunnen er vrede mee hebben dat we nog steeds een ego hebben
en weten dat God ons accepteert en verwelkomt waar we ook zijn,
zelfs al is het de deur naar de kleuterklas. Vol optimisme kunnen
we ons hoofd opheffen in de wetenschap dat vandaag de dag zou
kunnen zijn. En we kunnen ook tevreden zijn met wachten in de
gelukkige zekerheid dat onze thuiskomst vaststaat. Terwijl we
wachten kunnen we vreugdevol in het moment leven zonder belang
te stellen in de toekomst. En bovenal kunnen we ons met datgene
bezighouden wat ons uiteindelijk van tijd en ruimte zal bevrijden:
We kunnen het leed om ons heen door vergeving verlichten. In plaats
van deze pijnlijke wereld proberen te overstijgen kunnen we beter
ernaar streven om hier een baken van geluk te zijn. De vraag is
daarom niet: ‘Hoe lang duurt het tot ik hier van af ben?’ maar:
‘Hoe kan ik helpen?’
|