Het spirituele pad
van
EEN
CURSUS IN WONDEREN
door Robert Perry
Het onderwijs van ‘Een Cursus
in Wonderen’ kan zo prachtig, zo diepzinnig en aantrekkelijk
zijn. Maar zelfs als we deze schoonheid hebben gevoeld en van
zijn onderwijs zijn gaan houden, kunnen we nog steeds onzeker
zijn over wat te doen om er werkelijk vorm aan te geven. In de
loop van de tijd ben ik de Cursus steeds meer gaan zien als bestaande
uit twee verschillende aspecten: het gedachtesysteem van
de Cursus en het pad van de Cursus. Het gedachtesysteem
is het onderwijs van de Cursus, de ideeën die hij uiteenzet. Het
pad bestaat uit datgene wat we doen om dat onderwijs vorm te geven,
de activiteiten die bevestigen dat we een student van de Cursus
zijn en zijn weg volgen. In het kort, het gedachtesysteem is wat
het boek onderwijst, het pad is wat we als studenten met het boek
doen.
En hoe gemotiveerder we worden om
zijn doelen te bereiken, des te belangrijker wordt het tweede
punt. Wat doen we met dit boek? Met wat voor soort activiteiten
houden we ons bezig zodat we zijn doel zullen bereiken en verlossing
vinden?
Dit onderwerp is ook belangrijk om
te leren begrijpen hoe wij the Circle of Atonement zien, omdat we ons inzetten studenten te helpen het pad
van de Cursus in al zijn facetten te bewandelen. Deze visie wordt
weerspiegeld in ons plan om drie afdelingen te hebben die ik in
een eerder artikel (‘Het begin van een centrum’) beschreven heb.
Ook wordt deze visie in ons opleidingstraject en ondersteuningsysteem
weerspiegeld.
Omdat dit thema voor mij zo fundamenteel
en cruciaal is, heb ik ervoor gekozen mijn zienswijze hierover
uiteen te zetten. In dit artikel zal ik beknopt de basisvorm van
het pad van de Cursus beschrijven zoals ik het zie. Eerst zal
ik het feit dat dit een pad is (en niet alleen een gedachtesysteem)
behandelen en vervolgens de bijzonderheden van dat pad.
een ‘Cursus’
Een Cursus in Wonderen is een hele
merkwaardige titel. Maar het zegt wel veel over wat het boek is.
Eerst wil ik de aandacht op het eerste deel van de titel richten.
Heb je ooit nagedacht over die eerste twee woorden? Wat betekent
het als hij zichzelf ‘een cursus’ noemt? Het woord ‘cursus’ en
de wijze waarop het in Een Cursus in Wonderen gebruikt
wordt lijkt me een sleutelwoord te zijn voor wat ik het pad van
de Cursus noem. Wat ik interessant vind is dat het woord ‘cursus’
hier vrijwel precies dezelfde betekenis heeft als het woord ‘pad’
wanneer we praten over een spiritueel pad.
Laten we eerst kijken naar het woord
‘pad’. Volgens mijn woordenboek is ‘pad’ voornamelijk
gedefinieerd als ‘een betreden weg’, of ‘een pad dat speciaal
gemaakt is voor een specifiek gebruik’. Het interessante is dat
het woord ook gedefinieerd wordt als een ‘cursus’! Een ‘pad’ is
dus een bepaalde weg waar langs men reist. Vanuit een meer abstracte
vorm wordt ons verteld dat een pad
‘een manier van leven, gedragen of denken’ is. Een weg waar
je fysiek over reist is nu een weg geworden waarover je door het
leven reist. Maar wat is dan een spiritueel ‘pad’? Het is een
weg waarlangs je naar God reist. Deze weg wordt niet bepaald door
stoepranden, gras of stenen zoals fysieke paden. Hij wordt
bepaald door een systeem van geloof en oefening. De veronderstelling
is dat wanneer je het pad volgt, zoals dat door deze overtuigingen
en oefeningen wordt weergegeven, je jouw doel zult bereiken, je
zult God vinden.
Laten we nu het woord ‘cursus’ eens
nader bekijken. Het interessante is dat mijn woordenboek zegt
dat een cursus een pad is, ‘het pad waarover iets
beweegt’. Vervolgens
formuleert het dit idee meer op een abstracte manier door te zeggen
dat het ‘een geordend proces of een reeks is, zoals een
serie lezingen of andere kwesties die over een bepaald onderwerp
gaan’. In plaats van een pad waar iets overheen gaat is het nu
dus een proces waar iets doorheen gaat. Dit leidt ons naar het
specifieke idee van een educatieve cursus, het idee waar de Cursus
zijn titel aan ontleent. Een educatieve cursus is een proces waar
een student doorheen gaat, een reeks activiteiten die door zijn
leraar zijn opgezet en die ontworpen zijn om hem een bepaalde
hoeveelheid materiaal, een bepaald thema te leren. Als hij door
het proces heen gaat en deelneemt aan de opgedragen activiteiten,
dan zal hij zijn doel bereiken en geleerd hebben.
Een educatieve cursus is dus een
bepaald pad waarop je wandelt om een grote hoeveelheid materiaal
te leren. Een spiritueel pad is een omlijnd pad waarlangs je je
beweegt om God te bereiken. Allebeide zijn het processen oftewel
wegen, die, wanneer je ze volgt, jou naar een doel leiden. Inderdaad
is het zo dat de doelen verschillend zijn, maar deze schijnbare
kloof is in het geval van de Cursus overbrugd als je je herinnert
dat het doel van zijn onderwijs (het leren van wonderen, zoals
de titel aangeeft) is om de herinnering aan God te laten ontwaken.
Kort gezegd verteld de Cursus ons
al meteen in zijn titel, op de kaft, dat hij een spiritueel pad is. Dit thema zet zich voort in het boek,
waarbij we er steeds weer opnieuw aan worden herinnerd dat het
een vastgesteld proces is, een gestructureerd pad dat - indien
gevolgd - naar zijn doel zal leiden.
Het volgende
citaat illustreert dit perfect: ‘Deze cursus werd ons gezonden
om het pad van licht voor ons te openen en ons te leren, stap
voor stap, hoe terug te keren naar het eeuwige Zelf dat we dachten
verloren te hebben’ (WdI.Inl.V.5:4).
Door zichzelf een ‘cursus’ te noemen
voegt hij volgens mij een extra autoritaire toon aan dit spirituele
pad toe. Veel spirituele paden hebben een grote graad van vrijheid
in zich. Maar een educatieve cursus is er een die gewoonlijk in
hoge mate gestructureerd wordt door de leraar. De student bepaald
in dit geval niet zijn eigen pad. In plaats daarvan gaat hij door
een voorgeschreven reeks van activiteiten
heen die voor hem van tevoren zijn vastgesteld. De student demonstreert
niet zo zeer een vaardigheid door zijn vermogen om zijn eigen
weg te plannen, maar door met enthousiasme, intelligentie en bedrevenheid aan de voorgeschreven activiteiten
deel te nemen.
Dit heeft
duidelijk gevolgen voor de manier hoe we aan deze bepaalde cursus
deelnemen. Laat me ze een beetje uiteenzetten:
1. Doe de Cursus zoals hij is. Probeer hem niet te veranderen. Je begint
niet aan een cursus en vertelt vervolgens de leraar hoe hij deze
moet onderwijzen (jahoor, ik heb dit herhaaldelijk geprobeerd,
maar het leek mijn cijfers niet op te krikken) In dezelfde gedachtegang
vertelt de Cursus, ‘Vrije wil betekent niet dat jij het onderwijsprogramma
kunt vaststellen’ (T.inl). De Cursus
neemt van het begin tot het einde aan dat je hem doet zoals hij
is, in plaats van hem te gebruiken als een inspirerende springplank
waarbij jij de selectie maakt en kiest wat voor jou goed voelt.
Ik denk dat deze laatste methode geschikt is wanneer je er nog
niet zeker van bent of de Cursus jouw pad is. Maar voor zijn toegewijde
studenten neemt de Cursus aan dat jij jezelf disciplineert ten
opzichte van een compleet systeem, in plaats van alleen maar de
juweeltjes eruit te pikken. Hij ontmoedigt je juist om uitzonderingen
te maken, en hij zegt ergens dat wanneer je één aspect van het
ego vasthoudt (in dit geval speciale liefde-relaties), ‘jij
het geheel behoudt’ (T17.IV.6:7). Hij beweert
dat door aan deze cursus deel te nemen ‘jij een verenigd denksysteem
bestudeert waarin niets ontbreekt dat nodig is, en wat niets bevat
wat tegenstrijdig of irrelevant is’ (WdI.42.7:2), en dit
brengt met zich mee dat hij gevolgd zou moeten worden zoals hij
is.
2. Neem werkelijk deel. Je leert niet veel van een cursus
wanneer je maar de helft van de tijd komt opdagen of als je in
de klas in slaap valt, propjes schiet als de leraar niet kijkt,
fluistert, giechelt en briefjes doorgeeft, leden van de andere
sekse zit aan te gapen, opdrachten niet bijhoudt en je huiswerk
niet doet (roept dat enige herinneringen op?). Hiermee vergelijkbaar
moedigt A Cursus in Miracles je aan om je er écht mee bezig
te houden. Als je naar de meer dan 120 plaatsen kijkt waar de
Cursus naar zichzelf verwijst, is hun grondtoon steeds dat de
Cursus probeert jou het belangrijkste in de wereld te leren, namelijk verlossing,
en dat je bang, wanhopig en vol verzet bent en jezelf maar voortsleept.
Deze passages laten zien dat de Cursus studenten vraagt die zich
er geheel aan wijden en die zodoende zijn onschatbare gave van
bevrijding accepteren.
3. Concentreer je erop. De meeste
educatieve cursussen worden naast andere cursussen gevolgd. Maar
er zijn cursussen, zoals een medische studie, waarvan de aard
van de studie vereist dat je je alleen op deze cursus concentreert. Ik geloof dat A Course in Miracles
een dergelijke cursus is. Zoals ik eerder zei denk ik echt dat als je
er zeker van bent dat de Cursus jouw pad is, je in het gunstigste
geval andere paden naar de achtergrond verwijst, waar ze hooguit
als ondersteuning voor je voornaamste pad fungeren. Dit kan een
schokkend idee lijken in de New-Age wereld die zeer ruim van opvatting
is, maar het wordt in ere gehouden door de traditionele spirituele
paden in de wereld. Jezelf op je eigen pad concentreren is beslist
geen veroordeling van andere paden (tenzij je
die intentie hebt), maar een eenvoudige erkenning van wat het beste voor
je is. Het idee om andere paden te respecteren en je toch concentreren
op dat wat voor jou bestemd is, wordt duidelijk bevestigd in de
eerste pagina's van het Handboek (HvL1.3-4). En het wordt zelfs nog duidelijker uiteengezet in
de paragraaf ‘Ik hoef niets te doen’ waar ons wordt verteld:
‘Jij maakt geen gebruik van de cursus als je volhard in het
gebruik van middelen die anderen behulpzaam waren, maar negeert
wat voor jou werd gemaakt’ (T18.VII.6:5).
Maar het idee om werkelijk aan de
Cursus meet te doen en jezelf erop concentreren is nog niet bepaald
specifiek. Als we serieuze studenten zijn moeten we weten welke
specifieke activiteiten de Cursus van zijn studenten vraagt. Met
andere woorden: welke opdrachten geeft hij? Net zoals de titel
die we onderzocht hebben staat het antwoord op deze vraag op de
kaft geschreven (of kaften, als je de drie aparte delen
hebt). Het antwoord zijn de drie delen van de Cursus: de Tekst,
het Werkboek voor Studenten, en het Handboek voor Leraren. Het
is duidelijk dat deze boekdelen naar het idee van een cursus ontworpen
zijn. Ik ben ervan overtuigd dat ieder deel een aspect van deze
cursus representeert, een aspect van het pad dat de Cursus beschrijft.
En ik denk dat zij samen een ontwikkeling weergeven die enigszins
verwacht wordt als je dit pad bewandelt. Laten we eens één voor
één naar de boekdelen kijken.
de Tekst: STUDIE
Het eerste en verreweg grootste deel
van de Cursus is de Tekst. Als je een college volgt en de leraar
overhandigt je een tekst, wat denk je dat hij verwacht wat je
ermee doet? Zo duidelijk als het antwoord hierop is, is het er
wel een dat vele Coursestudenten vermijden. De Tekst is waarschijnlijk
het minst gelezen deel van de Cursus. Ik heb zelfs gehoord dat
er mensen zijn die ervoor pleiten om de Tekst in zijn geheel te
negeren. Ik neem het hen niet kwalijk - ik besteedde mijn eerste
paar jaar met de Cursus aan het vermijden van wat ik zag als de
saaie Tekst.
Maar de auteur van de Cursus dacht
hier duidelijk anders over. Hij legt veel gewicht op zijn
Tekst en de ideeën die deze bevat. De manier waarop hij schrijft
laat dit zien. Hij heeft de gewoonte om een idee te introduceren
en er vervolgens steeds weer naar terug te verwijzen. Als hij
het idee ter sprake heeft gebracht neemt hij aan dat jij er aandacht
aan gegeven hebt en er nu bekend mee bent. En dus is het voor
hem geoorloofd om ernaar terug te verwijzen, door het opnieuw
op te pakken en het verder te ontwikkelen, of er korte en soms
zeer subtiele verwijzingen naar te maken. Nadat hij een idee steeds
weer opgepakt en het geleidelijk aan met de talloze andere ideeën
in verband heeft gebracht, komt hij ineens onverwacht uit de hoek
en herinnert hij je eraan wat een cruciaal idee dit is voor zijn
cursus. Een mooi voorbeeld hiervan is het concept ‘ideeën verlaten
hun bron niet’, wat hij in het Werkboek noemt ‘de
basisgedachte die in de tekst zo vaak wordt aangehaald’ (WdI.156.1:3), en ‘Dit
centrale thema ... staat vaak in de tekst’ (WdI.132.5:4). Uiteindelijk
vertelt hij ons gewoon dat ‘de nadruk die deze cursus op dit
idee legt komt door de centrale plaats die het inneemt in onze
pogingen jouw gedachten over jezelf te veranderen’ (WdI.167.3:7).
Soms wil
hij min of meer ermee ophouden om een idee opnieuw op te pakken
en te ontwikkelen. Hij neemt gewoon aan dat je het intussen kent.
Om die reden kunnen de meest belangrijke concepten uit de Cursus
alleen in de Tekst worden gevonden (op z’n minst in een uitgewerkte
vorm). Dit geldt voor cruciale concepten zoals speciale relaties,
heilige relaties, het heilige ogenblik en de aantrekkingskracht
van schuld.
Ik denk dat de Tekst duidelijk wijst
op onderwijs, studie en begrip. De auteur onderwijst ons, en wij
als studenten worden verondersteld te lezen en te studeren om
het te leren begrijpen. Door de Tekst tot het eerste deel te maken
zegt de auteur iets heel belangrijks. Hij zegt hiermee dat studeren
en het begrijpen van zijn onderwijs het eerste aspect van zijn
cursus is, het fundament van zijn pad.
Het valt moeilijk te betwisten dat
het onderwijs de basis vormt van de Cursus. Niet alleen omvat
de Tekst bijna twee derde van het aantal woorden van de Cursus,
maar ik zou ook zeggen dat het onderwijs 95% van de Cursus uitmaakt,
waarop de specifieke instructies voor dagelijkse oefening in het
Werkboek de belangrijkste uitzondering vormen. Maar deze instructies
omvatten slechts een klein deel van het Werkboek, waarvan het
grootste deel puur onderwijs is.
Het onderwijs is zo duidelijk in
de Cursus aanwezig omdat de Cursus voornamelijk probeert je te
stimuleren je denken te veranderen: ‘ … deze cursus streeft
naar een complete ommekeer van denken’ (HvL24.4:1). Hij probeert je zover te krijgen dat je de onderliggende
ideeën opgeeft die de aanleiding zijn voor je gedachten, emoties,
keuzen en waarnemingen, en ze te vervangen door een nieuwe reeks
van ideeën die de Cursus onderwijst. Deze ideeën zijn de basis
voor alles in de Cursus. Dit wordt bevestigd in de allereerste
regel van het Werkboek welke zegt: ‘Een theoretische fundering
zoals de tekst die verschaft is nodig als een kader om de oefeningen
in dit werkboek betekenisvol te maken’
De gevolgen hiervan voor de student
zijn duidelijk. Als je het pad van de Cursus bewandelt vormt lezen
en studeren de fundamentele activiteit, gericht op het begrijpen
van het onderwijs. Daar kom je echt niet omheen. Het moet gewoon
gedaan worden. Het maakt deel uit van deze cursus. Als je de Tekst
te dik vindt om er doorheen te gaan (wat ik eerlijk gezegd ook
nog steeds vind), zijn er andere mogelijkheden voor je. Je kunt
een klein stukje per keer lezen, je kunt naar een groep gaan die
de Tekst leest en bespreekt, er zijn cassettebandjes te krijgen
waarop verschillende leraren stukken van de Tekst lezen en bespreken,
je kunt naar de Cursus luisteren op cassettebandjes of discs.
Je kunt van alles doen. Maar als je een toegewijde student wilt
zijn, doe dan iets. Als je de Tekst van deze cursus niet leest
is het net alsof je noch de boeken van een gewone cursus leest
noch zijn colleges bijwoont, iets waar niemand over zou peinzen,
of het moet zo zijn dat hij er niet mee door wil gaan.
De auteur van de Cursus richt zich met dezelfde nadruk
op lezen en studie tot zijn schrijvers, Helen en Bill, zoals in
‘Absence from Felicity’ van Ken Wapnick is weergegeven:
‘Al het leren houdt op een of ander niveau aandacht
en studie in. Deze cursus is een cursus in gedachtetraining. Toegewijde
studenten bepalen studiemomenten voor zichzelf. Maar omdat deze
voor de hand liggende nog niet bij je opgekomen is, zal ik nu
duidelijke opdrachten geven (p.258).
het Werkboek: OEFENING
Het volgende deel is natuurlijk het
Werkboek. Net als bij het eerste deel beschouwt de auteur dit
deel als absoluut cruciaal voor zijn cursus. Nadat hij ons in
de eerste regel van het Werkboek vertelt dat de Tekst een noodzakelijke
fundament is voor de oefeningen, zegt hij in de tweede regel:
‘Maar het doen van de oefeningen maakt het doel van de cursus
mogelijk’. Dat is een veelbetekenende zin. Je zult het doel
van de cursus niet bereiken tenzij je de lessen doet. En vervolgens
wordt in het Handboek voor Leraren gezegd dat je je niet als leraar
van God binnen het raamwerk van de Cursus kwalificeert als je
het Werkboek niet gedaan hebt: ‘Hij kan pas op die titel aanspraak
maken als hij het Werkboek doorgewerkt heeft, aangezien we leren
binnen het kader van onze cursus’ (HvL16.3:7). Het is
duidelijk dat de auteur van deze cursus denkt dat zijn Werkboek
van essentieel belang is.
Ik geloof dat het Werkboek het tweede
aspect van het pad van de Cursus vertegenwoordigt: oefening
of praktijk. De enige hoop die de Cursus voor ons ziet om
ons huidige gedachtesysteem in te kunnen ruilen voor een volstrekt
nieuw systeem, is door het nieuwe maar steeds weer, onophoudelijk
en voortdurend te oefenen. ‘Steeds en steeds weer moet dit
worden herhaald, totdat het wordt geaccepteerd’ (WdI.93.6:2). Oefening
baart kunst. Grote mystici, meesters en heiligen door de eeuwen
heen hebben ingezien dat er geen echte spirituele verworvenheid
kan bestaan zonder werkelijke oefening. Ik geloof dat de Cursus
hetzelfde erkent. In feite wordt het woord ‘oefening’ of ‘praktijk’
en varianten hiervan zo’n 350 keer gebruikt.
In dezelfde lijn als ons eerdere
commentaar over het volgen van de Cursus zoals hij is, geloof
ik zeker dat de auteur van de Cursus bedoelde dat zijn studenten
het Werkboek doen zoals het is, om de instructies te volgen -
zoals hij meerdere malen in verschillende vormen zegt -
‘zo precies mogelijk’ (WdI.65.4:2,70.6:3), ‘dat
je het zo precies mogelijk volgt’ (WdI.Inl.III.Intro.1:3), Ik denk
dat de meeste studenten met deze intentie beginnen, maar dat ze
het gewoon te moeilijk vinden als de instructies veeleisender
beginnen te worden. Wanneer de instructies dan ook nog subtieler
en vluchtiger worden - omdat ze voortvloeien uit voorafgaande
instructies en waarvan aangenomen wordt dat je die hebt gevolgd
- beginnen studenten contact te verliezen met wat van hen gevraagd
wordt. En uiteindelijk beginnen we ons allemaal af te vragen:
is het echt mogelijk om het Werkboek te doen zoals het is?
De auteur van de Cursus lijkt op
de volgende manier te denken. Alles wat hij van ons verwacht,
zo lijkt het, is om het grofweg te doen zoals het is. Hij
maakt duidelijk dat hij begrijpt dat we veel oefenperioden zullen
missen. Maar hij is er heel bezorgd over dat we deze gemiste oefenperioden
als excuus gebruiken om nog meer oefeningen te missen. Zo zet
hij het probleem van gemiste oefenperioden diverse malen uiteen,
waarbij telkens een variant wordt gegeven van dezelfde fundamentele
boodschap: als je merkt dat je oefenperioden mist, begin dan gewoon
opnieuw met oefenen. Voel je niet schuldig, probeer niet om alle
oefeningen die je gemist hebt in te halen, en geef niet
op. Pak de oefening gewoon weer op.
Tegelijkertijd heeft hij de gewoonte
om er bij ons op aan te dringen onze oefening niet te vergeten
- hij doet dat tientallen keren. Hij verzoekt ons dringend om
onze tijd en inspanning aan deze oefening te geven: ‘...laat
de tijd niet korter zijn dan dat ze beantwoordt aan jouw diepste
behoefte. Geef alles wat je kunt, en geef een beetje meer’ (WdI.l93.10:6-11:l). En regelmatig geeft hij
aansporingen tot oefening, met name als de eisen van de oefening
wat zwaarder worden, door ons er aan te herinneren dat het schitterende
voordelen zal brengen, voor onszelf en voor anderen.
En als het Werkboek gedaan is blijven
we oefenen, en we brengen ons geestelijke dansfeest van bereidwilligheid
meer en meer tot regelmaat tot dat het een aanhoudende activiteit
wordt en onze natuurlijke geestelijke staat geworden is. Ik vind
het prachtig hoe Allen Watson het Werkboek gekarakteriseerd heeft:
‘Een inleiding tot oefening’. Het is een begin; het plaatst ons
op de lange weg naar volmaakt oefenen. Vele malen onthult de Cursus
dat oefenen bedoeld is om op een gegeven moment niet meer op te
houden. In feite behandelt het Handboek rechtstreeks de kwestie
hoe verder te oefenen wanneer we met het Werkboek klaar zijn.
Een deel van het antwoord luidt als volgt:
‘Door heel hun training heen, iedere dag en ieder uur,
en zelfs iedere minuut en seconde, moeten Gods leraren de vormen
van magie leren herkennen en hun betekenisloosheid waarnemen.
’(H16.11:9)
Dit thema - het belang van iedere
minuut en iedere seconde - wordt telkens opnieuw in de Cursus
herhaald. Het logische gevolg hiervan is duidelijk: de Cursus
wil uiteindelijk dat we iedere minuut en zelfs iedere seconde
oefenen! Uiteindelijk wil hij ‘totale toewijding op ieder moment’
(WdI.Intro18l-200.l:2). Dit is de uiteindelijke
staat van Coursebeoefening.
'Door te oefenen zul je na verloop van tijd nooit ophouden
aan Hem te denken en Zijn liefdevolle Stem te horen, Die jouw
voetstappen leidt op rustige wegen ... Ook wil jij je geest geen
moment van Hem weghouden, ook al wordt jouw tijd gebruikt om de
wereld verlossing aan te bieden’. (WdI.153.18:1,3)
het Handboek voor Leraren: UITBREIDING
De laatste zin van de vorige passage
onthult hoe de Cursus het gebruik van onze tijd ziet: ‘voor
het aanbieden van verlossing aan de wereld.’ Ik denk dat dit
het derde en laatste aspect van het pad van de Cursus vormt: uitbreiding.
Steeds opnieuw vertelt de Cursus
ons op vele, vele manieren over het belang van het uitbreiden
van vergeving en heelwording naar anderen. Hij vertelt ons dat
dit onze functie is zolang we op aarde zijn, ons aandeel in Gods
plan voor verlossing. Dit is wat we verondersteld worden met onze
levens te doen, wat we in iedere uitwisseling, iedere ontmoeting
en in iedere situatie zouden moeten doen. Instrumenten van deze
uitbreiding te zijn is kennelijk het enige doel van onze lichamen.
In feite is het zelfs de enige bedoeling van alles op aarde, het
is waar alles toe dient (T24.VII.5-6).
Het is niet zo dat Jezus wil dat
iedereen gered wordt en daarom probeert druk op ons uit te oefenen
om als zijn werkpaarden te dienen. Hij wil dit wel, maar hij wil
ook dat wij gered worden. Hij vertelt ons herhaaldelijk
dat wij verlost zullen worden als wij verlossen, dat ‘ik geheeld
zal zijn als ik Hem mij laat leren hoe te helen’ (T2.V.18:6). ‘Vergeef
en wees vergeven. Zoals je geeft, zul je ontvangen’ (WdI.122.6:3-4).
Volgens de Cursus heeft uitbreiding
een enorm psychologisch effect op hen die uitbreiden. Welk idee
zij ook uitzenden, het zal in hun geest versterkt worden. Dus
alleen wanneer wij vergeving vanuit onszelf laten komen, waarbij
onze waarneming van anderen en hun waarneming over zichzelf verandert,
zullen we volledig overtuigd worden dat er iets werkelijk heiligs
in ons is, dat heiligheid in de kern van ons wezen is. Het lijkt
erop dat door uitbreiding de ideeën die we willen leren uiteindelijk
in onze eigen geest bevestigd worden.
Waarom zeg ik dat uitbreiding de
uiteindelijke bevestiging is? Er loopt een formule door
de Cursus heen die in les 154
en 159 bijzonder helder uitgedrukt wordt. De formule is dat je
eerst van de Heilige Geest ontvangt: je leert een les, verandert je waarneming, leert een aspect van juiste gerichtheid
van denken aan en laat een heilig idee binnenkomen.
Vervolgens geef je dit aan een ander, iets wat je niet
zou kunnen doen tenzij je het eerst zelf ontvangen
had: ‘Niemand kan geven wat hij niet ontvangen heeft’ (WdI.l59.1:1). En tenslotte
ga je - door te geven - volledig begrijpen dat je ontvangen
hebt. Je wordt je bewuster van de gave die je al hebt. ‘Niemand
kan ontvangen en begrijpen dat hij ontvangen heeft totdat hij
geeft. Want in het geven ligt zijn eigen acceptatie van wat hij
ontvangen heeft’ (WdI.154.8:6-7). Ik denk
dat het duidelijk is dat studie en oefening hier de eerste stap
zijn. Door middel van hen ontvangen we in de eerste instantie.
De tweede stap is uitbreiding, oftewel geven, wat ons in stap
drie voorziet: volledig bewustzijn van de gave die we oorspronkelijk
ontvingen.
Ook al wordt uitbreiding door de
Tekst en het Werkboek heen behandeld, geloof ik dat het Handboek
voor Leraren als geheel symbool staat voor dit laatste aspect
van het pad van de Cursus. Het is tenslotte een handboek voor
de leraren van God, voor hen die klaar zijn zichzelf te wijden
aan uitbreiding (onderwijzen, uitbreiden, helen en geven zijn
allen praktisch synoniemen in de Cursus). En in feite gaat het
grootste gedeelte van het Handboek rechtstreeks over de vraag
hoe men het beste de functie van leraar van God kan vervullen
als een uitbreider, een verlosser.
Deze functie is geen vormloos en
vaag iets. Door de gehele Cursus heen wordt ons gezegd dat onze
speciale functie van leraar/heler een bepaalde vorm zal aannemen
die speciaal voor ons ontworpen is. Deze vorm zal door de Heilige
Geest zijn vervaardigd, gebaseerd op onze ‘vermogens precies
zoals ze zijn, en ... waar ze het beste kunnen worden toegepast,
waarvoor, op wie en wanneer’ (WdI.154.2:2). Het Handboek
veronderstelt dat dit voor sommige mensen zal betekenen dat ze
een soort van geloofsgenezer en/of begeleider van nieuwe studenten
op het pad van de Cursus zullen zijn. De aanvulling Psychotherapie
veronderstelt dat dit voor sommige mensen betekent om een
professioneel therapeut te zijn. Blijkbaar kan iemands functie
honderden van vormen aannemen, waarvan vele vrij gewoon kunnen
lijken en helemaal geen ‘spiritueel’ doel lijken te hebben. Maar
wat iemands functie ook moge zijn, het zal niet iets totaal vaags
zijn waar je je vinger niet op kunt leggen. Het zal een vorm aannemen
die concreet genoeg voor ons is om welbewust en met de juiste
intentie al onze middelen van tijd en inspanningen eraan te besteden.
En de Cursus moedigt ons zeker aan
om ons eraan te wijden. Net zoals het oefenen na verloop van tijd
niet meer ophoudt, zo zal uitbreiding uiteindelijk een volledige
dagtaak worden. ‘Onderwijzen is een onophoudelijk proces; het
gaat ieder moment van de dag door op, en zet zich zelfs voort
in de gedachten tijdens de slaap’ (HvL.Inl.1:6). Aangezien
we ieder moment óf God óf het ego onderwijzen, is het natuurlijk
ons doel om ieder ogenblik God te onderwijzen zodat, zoals we
al eerder zagen, al onze ‘tijd besteedt wordt om verlossing
aan de wereld aan te bieden’.
Ik vind het interessant dat de Cursus
vaak naar voren brengt dat er veel voor ons te doen is
in het vervullen van onze functie van uitbreiding. Eerst zegt
hij dat voor het ontvangen van het heilige ogenblik ‘jij niets
hoeft te doen’’ (T18.VII.5:5), om te vervolgen
dat na het ontvangen van het heilige ogenblik er sprake
is van vele ‘drukke bezigheden waar je naar toe wordt gestuurd’
(T18.VII.8:3). En met
betrekking tot onze speciale functie, ons deel in het plan van
de Heilige Geest, wordt ons gezegd: ‘er is zoveel dat gedaan
moet worden voordat de weg naar vrede openligt.’ (T20.IV.8:1). Elders lezen we: ‘Er valt veel
te doen’ in het vervullen van ‘jouw plaats ... in het Grote
Ontwaken’ (T15.XI.10:9-10. En nog
eens: ‘Maar zolang we in de tijd verblijven, is er nog steeds
veel te doen. En ieder moet datgene doen wat hem is toegewezen,
want het hele plan is afhankelijk van zijn deel’ (T25.VI.5:910).
De Cursus wijst ons herhaaldelijk
erop dat uitbreiding ons doel is zolang we op aarde zijn. De aanvulling
Psychotherapie zegt: ‘Alleen daarvoor blijf hij hier.’ (P3.III.l:9).
Als we alleen
daarvoor hier vertoeven, wat anders zouden we met onze tijd moeten
doen?
het proces als geheel
We hebben dus deze drie aspecten
oftewel activiteiten: studie, oefening en uitbreiding. Het lijkt
me duidelijk dat dit geen onsamenhangende delen zijn, maar dat
ze in werkelijkheid een volledige vooruitgang inhouden, een pad,
een cursus. Zoals je zou verwachten gaat deze vooruitgang van
deel I via deel II naar deel IIl. Is dit niet een logisch gevolg
als je het model van een universiteitscursus gebruikt? In een
educatieve cursus lees en bestudeer je eerst de tekst. Dan gebruik
je het werkboek en door zijn oefeningen te doen en de geleerde
ideeën toe te passen leer je ze grondiger kennen. Uiteindelijk
slaag je erin zelf de cursus te onderwijzen en dus het handboek
voor leraren te gebruiken.
A Course in Miracles maakt duidelijk
dat hij precies deze ontwikkeling in gedachten heeft. De delen
zijn duidelijk in volgorde geschreven, waarbij elk deel bewust
terugblikt op het deel of de delen die eraan vooraf gingen. Het
Werkboek vermeldt vele malen de Tekst die eraan vooraf ging en
het Handboek noemt de Tekst en het Werkboek. Belangrijker nog,
het Werkboek zegt dat de Tekst vereist is om het Werkboek betekenis
te geven. En het Handboek zegt dat het Werkboek afgerond moet
zijn om een leraar van God te zijn.
En aangezien dit een spirituele cursus
is, suggereren Tekst, Werkboek en Handboek niet alleen de volgorde
van de delen, maar in grote lijnen ook het proces waar iemand
in zijn spirituele ontwikkeling doorheen gaat. Het is eigenlijk
een proces van het verinnerlijken en verwezenlijken van het gedachtesysteem
dat de Cursus onderwijst. Dit gedachtesysteem is zo radicaal en
zo volkomen tegengesteld aan ons gangbare gedachtesysteem, dat
het zijn intrede slechts stapvoets kan doen.
Eerst moeten de ideeën eenvoudig
je bewuste geest binnenkomen in de vorm van intellectuele denkbeelden.
En dus lees en bestudeer je het boek. Dit is niet het einde van
het proces, maar het vormt de basis voor al wat volgt. Daarna
kunnen de ideeën door oefening, frequente herhaling en toepassing,
op een dieper niveau worden geaccepteerd. En tot slot krijgen
de ideeën hun uiteindelijke bekrachtiging in je geest. Dat gebeurt
door uitbreiding, door ze te zien als vanuit jezelf komend en
jouw wereld te helen. Je wordt daardoor ervan overtuigd dat de
ideeën de jouwe zijn die versterkt worden door ze te delen.
Ik geloof echter niet dat als je
beweegt in de richting van een nieuwe zienswijze, je de vorige
opgeeft. Dat zou er op lijken alsof je een stap op een hogere
trede van een ladder zet en vervolgens de trede afzaagt waar je
net vanaf gestapt bent. Als je uitbreidt blijf je natuurlijk oefenen,
want oefening maakt je uitbreiding mogelijk. Ik geloof dat wanneer
je oefent en blijft studeren, jouw begrip van het gedachtesysteem
zal verdiepen, zodat je effectiever kunt oefenen, zodat je overvloediger
kunt uitbreiden, zodat je je God sneller kunt herinneren.
Samenvattend denk ik dat, als we
echt eerlijk worden, we toe moeten geven dat deelname aan deze
cursus zoals zijn leraar hem uiteengezet heeft, veel werk
betekent, uiteindelijk veel meer dan het volgen van een medische
opleiding. Het betekent onszelf werkelijk aan deze cursus geven.
Ten eerste beoogt de leraar die dit opgezet heeft, dat we veel
lezen en studeren. Het zou een leven lang duren om één tiende
van de wijsheid van deze Tekst uit te pluizen. Hij heeft voor
ons in gedachten dat we veel oefenen, eerst twee keer per dag,
dan geleidelijk overgaand tot diverse malen per uur, werkend naar
iedere minuut en uiteindelijk iedere seconde toe. Verder beoogt
hij dat we heel veel uitbreiden, beginnend met een enkele keuze
om onze belangen niet gescheiden te zien van die van een ander
en eindigend met het wijden van al onze momenten - wakend en slapend
- aan het uitbreiden van liefde naar het totale Zoonschap.
Maar wat met de vraag die we ons
allemaal gesteld hebben: Hoe zit het met mij? Hoe kan ik dit ooit
voor elkaar krijgen? Ik besef dat hetgeen ik hier gezegd heb erg
moeilijk en veeleisend klinkt. Maar lees het alsjeblieft niet
verkeerd vanwege zijn uitdagende aard. Bijvoorbeeld: ik suggereer
niet dat iemand die hard werkt aan de Cursus specialer is in Gods
ogen, of zelfs meer spiritueel ontwikkeld is. Ik wil alleen
maar zeggen dat die bepaalde persoon meer uit de Cursus zal halen
dan hij gedaan zou hebben wanneer hij er minder in had gestopt.
Ik denk dat het ook verleidelijk is om hetgeen ik zeg te zien
als een projectie van mijn specifieke persoonlijkheid, in de veronderstelling
dat ik iemand ben die van veeleisende leefregels houdt en die
geneigd is deze aan anderen op te dringen. Natuurlijk is het aan
jou om voor jezelf te beslissen wat de Cursus werkelijk zegt.
Voor mij is het duidelijk dat de basisvorm van het idee dat ik
voorgelegd heb niet mijn uitvinding is, maar die van Jezus. Vanuit
mijn perspectief heeft hij het direct op de omslag en de pagina'
s van de Cursus gezet zodat iedereen het kan zien.
Om echt objectief naar dit hele vraagstuk
te kijken, hebben we het volgens mijn nodig om mild naar onze
weerstand te kijken. Het lijkt me dat we een enorme weerstand
hebben tegen dat wat Jezus tot ons zegt, niet alleen tegen de
transformatie die hij aanbiedt, maar ook tegen de specifieke activiteiten
die hij bepleit. En wanneer we ons verzetten tegen het doen van
deze specifieke activiteiten, beschouwt hij dit als hetzelfde als een verzet
tegen onze eigen transformatie. Want juist die activiteiten (indien
met de juiste intentie gedaan) zijn de middelen voor onze transformatie.
In hoofdstuk 20 bespreekt hij de relatie
tussen middel en doel: ‘En wanneer je twijfelt [om het middel
te geven], komt dit omdat het doel [het einde] jou angst aanjaagt,
en niet het middel … herinner je dat als je denkt dat ze [de middelen]
onmogelijk zijn, dit betekent dat jouw wil om het doel te bereiken
is gaan wankelen.’ (T20.VII.3:4,8). Inderdaad,
hij verwacht dat we ons tegen zijn opdrachten verzetten, en hij
is hierin zeer vergevingsgezind. Het is geen zonde. Maar hij beschouwt
het wel als een vergissing: ‘Als je faalt om de vereisten
van deze cursus na te leven, heb je alleen een vergissing begaan.
Dit vraagt om correctie, en om niets anders’ (WdI.95.9:1-2).
Ik denk dat
het voor sommigen van ons beslist juist is om de Cursus te doen
zoals bedoeld door de auteur, maar dit geldt niet voor iedereen.
De Cursus biedt overvloedig ruimte voor individuele verschillen.
Er zijn vele duizenden paden, vertelt hij ons. De meeste mensen
zijn niet geroepen om de Cursus tot hun pad te maken. Zelfs voor
veel mensen die de Cursus hebben, zou de meest geschikte relatie
ermee wel eens een oppervlakkige kunnen zijn, waarbij ze alleen
datgene tot zich nemen wat hun echt raakt. Zelfs degene die de
Cursus tot hun pad gemaakt hebben, vinden het misschien het meest
geschikt hem op hun individuele manier te benaderen. De Cursus
zegt zonder meer dat je met elk deel kunt beginnen, dat je niet
in volgorde door de delen heen hoeft te gaan. Het Werkboek gaat
ervan uit dat je de lessen in volgorde doet, maar laat ook toe
dat je dat doet wat voor je werkt. Deze toegeeflijkheid neemt
alleen maar toe, totdat ons uiteindelijk verteld wordt: ‘Na
de voltooiing van de meer gestructureerde oefeningen die het werkboek
bevat, zal de individuele behoefte het belangrijkste punt van
overweging zijn’ (HvL.16.3:8).
Dit alles
is een overvloedig bewijs dat de Cursus beseft dat we ieder onze
eigen relatie ermee zullen hebben. De paragraaf in het Handboek
over niveaus van onderwijs (HvL.3) is wat dat
betreft leerzaam. Ik geloof dat zijn discussie over verschillende
niveaus van menselijke relaties rechtstreeks kan worden toegepast
op verschillende niveaus van relatie met de Cursus. Daarom zullen
sommigen van ons een zeer korte ontmoeting met de Cursus hebben,
als twee vreemden die elkaar tegenkomen in de lift. Sommigen van
ons zullen er een intense relatie mee hebben, als
twee geliefden, en dan - zoals zoveel geliefden doen – ieder zijn eigen weg
vervolgen. En sommigen van ons zullen hun hele leven erbij blijven,
zoals (sommige) getrouwde partners. Maar ‘van deze relaties
zijn er over het algemeen weinig, omdat hun bestaan inhoud dat
beide betrokkenen gelijktijdig een stadium bereikt hebben waarin
hun onderwijs-leer balans werkelijk perfect is’ (HvL.3.5:3). Met andere woorden, er zullen over het algemeen maar
weinigen van ons zijn voor wie de Cursus perfect tegemoetkomt
aan onze leerbehoeften gedurende ons leven. En zoals de volgende
zin ons vertelt zullen zelfs deze enkelen ‘in het algemeen
niet’ de ‘onbegrensde kansen om te leren’ herkennen
(zelfde paragraaf, derde zin) die in de
relatie worden aangereikt. Uiteindelijk zal dus het aantal mensen
dat de Cursus doet zoals de auteur het bedoeld heeft, en die alle
opdrachten volbrengen en met lof zullen slagen, zelfs nog minder
zijn.
Maar hoe zit dat dan met de rest
van ons, de meerderheid die simpelweg niet gaat studeren, oefenen
en uitbreiden alsof de Hemel ervan afhangt? Ik denk dat we gewoon
ons best moeten doen zonder schuldgevoel. We zullen ons
steeds meer gaan realiseren dat de voordelen groter zullen worden
naarmate we de Cursus meer volgen zoals zijn leraar het bedoeld
heeft. Tegelijkertijd kijken we eerlijk naar datgene wat we bereidwillig
willen doen en wat goed voor ons voelt, op dit moment in ons leven.
En vervolgens ‘Geven we alles wat we kunnen, en een beetje
meer’ (WdI.193.10:6-11:1). Het belangrijkste
is dat we dit doen zonder schuldgevoel, zonder op onszelf af te
geven voor ons gebrek aan volmaakte studie, oefening of uitbreiding.
We zijn niet slecht; we zijn gewoon op pad. Bovendien bewandelen
we dit pad zonder te denken dat het doel moeilijk is of dat we
zelf niet in staat zijn het te leren. Beide oordelen zijn vanuit
het oogpunt van de Cursus arrogant. ‘Als je blijft volhouden
dat je onwaardig bent dit te leren, geloof je dat jij de leerling
anders moet maken. Jij hebt de leerling niet gemaakt, en jij kunt
hem niet anders maken’ (T18.IV.4:8). ‘Hij beoordeelt die [les] niet
als moeilijk of makkelijk. Zijn Leraar wijst haar aan, en hij
vertrouwt erop dat Hij hem zal laten zien hoe hij haar kan leren’
(HvL.14.4:7-8).
Maar als we eerlijk vaststellen waar
we op dit moment aan toe zijn, denk ik dat het ook essentieel
is dat we eerlijk toegeven wat de Cursus vraagt, niet om onszelf
ergens toe te dwingen of schuldgevoel aan te praten, maar zodat
we kunnen streven naar wat we eens zullen bereiken. En dit verwijst
zowel naar het bereiken van het Cursusdoel van verlossing alsook
naar het doen van de Cursus zoals hij dat vraagt. Want ik denk
dat eerlijkheid ons noodzaakt om toe te geven dat de kloof tussen
onze huidige toestand
en de verheven staat die de Cursus beloofd, dezelfde is als de
kloof tussen wat we momenteel met de Cursus doen en wat hij van
ons vraagt. Door dit inzicht zullen we in staat zijn om de overgang
te maken van armzalige leerlingen naar gelukkige leerlingen, om
meer en meer volledig en vreugdevol de taken van de leraar te
volbrengen en verlossing te vinden.
|