Hoe verhouden wij als Course-studenten ons
ten opzichte van de natuur? Voor de echte natuurliefhebbersonder ons, die misschien wel ecoloog zijn, lid van
Greenpeace of van het Wereld Natuurfonds, kan de Cursus behoorlijk
verontrustend zijn. Want niet lang nadat je het boek begint
te begrijpen, kom je erachter dat onze prachtige groene planeet,
ons blauwe juweel drijvend in de kosmische oceaan, een illusie
is, samen met de rest van de twinkelende lichtjes in diezelfde
oceaan, als wel de oceaan zelf. Volgens de Cursus is dit allemaal
een droom. En het is niet bepaald een mooie droom. Liever gezegd:
het is een nachtmerrie, een bewegend beeld dat de door onze
geest bedachte aanval op Gods Liefde weergeeft.
Als
het tot ons doordringt dat dit betekent dat de lelies op het
veld, de baby-zeehondjes, de Himalaya, de Rocky Mountains, en
– jawel - zelfs de rotspunten van Sedona allemaal droombeelden
zijn, kan onze geest makkelijk op hol slaan. Dit roept uiteraard
een paar hele belangrijke vragen op zoals: ‘Wat voor gevolgen
heeft de zienswijze van de Cursus op onze houding ten opzichte
van de natuur?’ en: ‘Wat zou onze nieuwe houding naar haar kunnen
zijn?’ Velen van ons hebben jarenlang met deze vragen geworsteld.
Laten
we eens kijken naar een paar gangbare opvattingen met betrekking
tot de natuur en de aarde. De aarde is ons thuis. De aarde is
onze moeder, ze heeft onze soort voortgebracht en schonk ons
als individuen het leven, voorziet daarin en ondersteunt het.
Als kinderen in deze thuishaven moeten we goed voor de aarde
zorgen: in ons handelen behoren we de maatstaf te hanteren hoe
positief of negatief het de planeet beïnvloedt. Het fysieke
leven en overleven moet tot elke prijs behouden blijven. Omdat
de aarde onze bron is zouden we haar loop moeten volgen en behoren
we ons naar haar wijsheid te voegen. De natuur is wat God heeft
voortgebracht, en zodoende openbaart ze Zijn wegen. De natuur
is in tegenstelling tot de menselijke beschaving natuurlijk.
De natuur is in tegenstelling tot de mensheid onschuldig. Ze
is mooi en ze is er om vreugde aan te beleven en gewaardeerd
te worden. Aan de andere kant is de natuur een hulpbron om in
onze behoeften te voorzien, om ons een goed leven te bezorgen
op deze aarde die ons thuis is.
Ik
weet zeker dat deze reeks opvattingen nog lang niet af is. Maar
mijn vraag is wederom wat we met deze ideeën moeten doen in
het licht van wat de Cursus ons leert. Dit artikel is het resultaat
van een jarenlang overdenken van deze vraag. Het artikel bestaat
in wezen uit twee delen. Eerst gaan we kijken naar de negatieve
kant van wat de Cursus over de natuur zegt of indirect beweert.
Vervolgens kijken we naar de positieve kant. Zoals altijd kan
ik er geen aanspraak op maken exact uit naam van de Cursus te
spreken. Maar daar waar ik misschien controversieel ben heb
ik geprobeerd mijn opvattingen met passages uit de Cursus te
ondersteunen.
Een eerlijke kijk op de natuur
Hoe
je naar de natuur kijkt hangt voor een groot deel af van je
beoordelingsmaatstaf. Als je dat wat wij natuur noemen vergelijkt
met de situatie op de maan of op Saturnus, dan komt de natuur
er vrij goed van af. Er is een verbazingwekkende overvloed aan
leven. Tierig weelt het groen, en uit nagenoeg elk kiertje ontspruit
leven. Zo ver het oog reikt kruipen of vliegen er dieren en
insecten. De ontelbare massa’s levende wezens zijn over het
algemeen voorzien van voedsel, lucht en water die ze voor hun
overleven nodig hebben. Over het geheel genomen zijn de uiteenlopende
individuen en ecosystemen met elkaar verweven in een geordend,
harmonieus en bijna gearrangeerd geheel waarin elk deel opgaat
in een onbewust samengaan met ieder ander deel in de voortgang
en evolutie van het geheel. Op elk niveau is er sprake van grote
schoonheid en een fenomenale complexiteit aan intelligent ontwerp.
Het zou zeker een heel stuk beroerder kunnen zijn. En dat is
het dan ook op plaatsen als de maan of Saturnus.
Aan
de andere kant zou het echter ook veel beter kunnen, en dat
brengt ons bij de vraag: hoe zou het zijn als we een andere
beoordelingsmaatstaf hanteerden? Wat als we de natuur niet beoordelen
naar hoe verkeerd dingen zouden kunnen gaan, maar hoe
goed ze zouden kunnen gaan? Dit is exact wat de Cursus
doet. Hij zegt dat de Hemel datgene is wat volkomen natuurlijk
is. Alles wat minder dan de Hemel is, is onnatuurlijk. Laten
we daarom eens naar de natuur kijken in het licht van de Hemel.
Hoe
ziet de Hemel er eigenlijk uit? Volgens de Cursus is de Hemel
volkomen voorbij aan woorden, maar er zijn bepaalde woorden
die er dichterbij komen dan andere. Het meest kenmerkende woord
is misschien wel ‘onbegrensd’. De Hemel wordt gekenmerkt door
onbegrensde liefde, onbegrensde vreugde, onbegrensde vrede en
grenzeloze volmaaktheid. Hij heeft geen beperkingen, want beperkingen
zijn grenzen. Hij heeft geen vormen, want vormen zijn grenzen.
Er bestaan geen afzonderlijke individuen, want een individu
is een begrensd wezen. Er is louter één enkele grenzeloze uitbreiding
van bewustzijn in een staat van vormeloze extase: God. Wij allen
en al wat leeft zijn simpelweg delen of aspecten van dit ene
Zijn. En er is enkel één grenzeloos, onveranderlijk ogenblik,
en dat is de eeuwigheid.
In
vergelijking hiermee schiet de natuur ernstig te kort. Want
alles in de natuur is begrensd. In feite is de natuur zelf niet
meer dan één grote verzameling van verschillende vormen van
beperking. Zeker zijn vele van deze vormen prachtig, maar valt
de schoonheid van kleine begrensde vormen te vergelijken met
de schoonheid van het vormeloze en oneindige? Zeker is er vreugde
in de natuur, maar hoe kan het kleine beetje vergankelijke vreugde
van deze wereld de Vreugde van God benaderen? De natuur bevat
inderdaad leven, maar al deze levens zijn beperkt. Het zijn
nietige individuen, slechts stipjes waarvan het leven voorbijflitst
in een minuscuul ogenblik van de kosmische klok.
En
de natuur is meer dan alleen beperking. Ze is oorlog. Om in
leven te blijven moet elk afzonderlijk levend wezen met zijn
omgeving oorlog voeren. Het moet andere levende wezens opeten
enkel om zelf in leven te blijven. Elk wezen hier leeft van
de dood. Maar het kan alleen maar zo doorgaan tot het ook sterven
moet om op zijn beurt voedsel te worden voor de een of andere
hyena, aasgier, worm, bacterie of mens, eveneens weer gedoemd
om te sterven. Dood is in feite de voornaamste ‘realiteit’
van deze wereld. Leven moet eindigen in dood, en terwijl het
leeft komt zijn eigen leven voort uit de dood van anderen.
En
terwijl we achteroverleunen en van de natuur genieten, kijken
we, meer dan naar wat ook, naar een niet aflatende oorlog, een
universeel strijdgewoel waarin elke boom, struikgewas, insect,
vis, hagedis, vogel en zoogdier enkel tracht te overleven door
te verorberen wat het maar kan. We kijken naar een wanhopig
spel van overleven, waarbij overleven het doel is opdat het
hele systeem door kan gaan; waarin juist de gehele lichamelijke
vorm van elk schepsel, de complete structuur van zijn lichaam,
zowel binnen- als buitenkant, ontworpen is om te eten en zelf
niet gegeten te worden, en om lang genoeg in leven te blijven
om zich voort te planten en het spel gaande te houden.
De
Cursus is zich intens bewust van deze meer realistische kijk
op de natuur, in tegenstelling tot de romantische en idyllische
voorstelling die velen van ons koesteren. Hij realiseert zich
dat de natuur prachtig kan zijn om uit te rusten en zich te
bezinnen, maar dat het ook behoorlijk ellendig kan zijn om erin
te leven. Bijvoorbeeld:
… en al de wetten die [de wereld]
schijnen te regeren zijn de wetten van de dood. Kinderen worden
met pijn en in pijn in deze wereld geboren. Hun groei gaat gepaard
met lijden en ze leren wat leed is, afscheiding en dood. Hun
geest lijkt opgesloten in hun hersenen, en de krachten daarvan
lijken af te nemen wanneer hun lichaam pijn lijdt. Ze lijken
lief te hebben maar ze verlaten en worden verlaten. Wat ze lief
hebben schijnen ze te verliezen, wellicht de meest krankzinnige
overtuiging van allemaal. En hun lichamen kwijnen weg, hun adem
stopt en ze worden onder de grond gelegd, en zijn niet meer.
Niet een van hen die niet gedacht heeft dat God wreed is. (T13.in.2:4-11)
De dood is de centrale droom waaruit alle illusies voortkomen. Is het geen
waanzin over het leven te denken als geboren worden, verouderen,
aftakelen en sterven aan het eind? Het is de enige vaste, onveranderlijke
overtuiging van de wereld dat alles erin slechts geboren wordt
om te sterven. Dit wordt beschouwd als ‘de loop der natuur’
waaraan niet mag worden getornd, maar die als de ‘natuurlijke’
levensweg dient te worden geaccepteerd. Het cyclische, het veranderlijke
en onzekere, het onbetrouwbare en het onbestendige dat op een
bepaalde manier en langs een bepaald pad toe- en afneemt, -
dit alles wordt gehouden voor de wil van God. En niemand vraagt
zich af of een goedaardige Schepper dit wel kan willen.
(H27.1:1-2,4-7)
Uit
de bovenstaande passage kunnen we twee conclusies trekken. Ten
eerste: de natuur is onnatuurlijk. Leven, grenzeloos
en zonder tegenstellingen, dát is wat natuurlijk is. En de natuur
wordt gekenmerkt door begrensd leven dat door de dood wordt
omringd, afgebroken en staande gehouden. Ten tweede: God
heeft de natuur niet geschapen, oftewel het fysieke universum
waarin ze verblijft. Dit herhaalt de Cursus keer op keer. Als
God de natuur had geschapen zou Hij wreed zijn. Door het scheppen
van het universum en de ‘natuurlijke’ systemen zou Hij begrenzing
geschapen hebben, verganke-lijkheid, pijn, oorlog, en bovenal
de dood. Waarom zou Hij dat doen als Hij het grenzeloze kan
scheppen? Waarom zou Hij deze wereld willen maken, tenzij Hij
een tamelijk gemeen trekje had?
Dit
is uiteraard niets nieuws. De harde natuur van het leven in
deze wereld is misschien wel de enige en grootste reden voor
gebrek aan godsdienstig vertrouwen. Theologen - helemaal teruggaand
tot Job - hebben ermee geworsteld om onder de naam van ‘het
vraagstuk van het kwaad’ God met het kwaad van deze wereld te
verzoenen. Darwins theorie betreffende de overleving van de
sterksten beschadigde het godsdienstige vertrouwen misschien
wel net zoveel door te onthullen dat de wereld die God vermoedelijk
voortgebracht had geregeerd werd door de wet van oog om oog
en tand om tand, als door te verklaren dat de mens van de apen
afstamt. Al met al zien we dat nadenkende mensen God eeuwenlang
hebben verworpen, gebaseerd op het feit dat pijn, kwaad en onrechtvaardigheid
onlosmakelijk verbonden zijn met het leven op aarde.
Maar
God heeft het leven op aarde niet gemaakt. Dat zegt de Cursus.
Als Hij het niet deed, wie dan wel? Volgens de Cursus
deden wij het. De natuur, de aarde en het fysieke universum
zijn allemaal één grote collectieve droom. Laten we de twee
woorden ‘collectieve droom’ er eens uitlichten en ze één voor
één bekijken.
Een droom
We
zullen beginnen met het woord ‘droom’. Het feit dat de wereld
een droom is houdt meerdere dingen in. Eerst en vooral natuurlijk
betekent het dat de wereld niet werkelijk is. Ze is een illusie,
een begoocheling.
Wat
het tevens inhoudt is dat de wereld niet eens een plaats is.
Ze is louter een bundel voorstellingen in onze geest. Denk aan
je nachtdromen. Tijdens het ontwaken realiseer je je dat de
plaats waarover je droomde geen werkelijke plaats was, maar
enkel een verzameling van beelden in je geest. Dus jij bevond
je niet in de droom. De droom bevond zich in jou. Alle beelden
daarin waren simpelweg meubelstukken in jouw geest. En zo is
het ook met de droom van deze wereld. Niet jij bevindt je erin,
maar hij bevindt zich in jou.
Het
woord ‘droom’ houdt verder in dat al deze beelden, gebeurtenissen
en handelingen in de droom (louter) droomsymbolen zijn. Ze komen
voort uit gedachten, gevoelens en houdingen binnen de geest
en zijn daarom weerspiegelingen of symbolen ervan. We weten
allemaal dat wat we ‘s nachts dromen veroorzaakt wordt door
wat in ons onderbewuste omgaat. Als we bijvoorbeeld een nachtmerrie
hebben gaan we ervan uit dat er een paar hevige angsten in ons
onderbewuste woelen.
Hoe
moeten we dan de droom van de wereld interpreteren? Als de beelden,
gebeurtenissen en verwikkelingen van de ‘natuurlijke’ wereld
symbolen zijn, welke onbewuste overtuigingen symboliseren ze
dan? En welke overtuigingen koesteren we dan wel? Op de eerste
plaats kan het niet anders zijn dan dat we geloven in afscheiding,
want alle droomsymbolen in de natuur zijn afgescheiden van elkaar.
Ten tweede moeten we geloven in beperking, en wel om
dezelfde reden. Ten derde moeten we geloven in gebrek.
Kijk naar het droomsymbool van onze lichamen. Ze hebben voortdurend
voedsel nodig. Hun behoeftigheid is zo fundamenteel dat ze nooit
werkelijk ‘gevuld’ of voldaan zijn, want zelfs als we onze lichamen
voeden, hebben ze binnen een paar uur opnieuw een tekort. Ze
moeten dus droomsymbolen zijn van het geloof in gebrek. Op de
vierde plaats moeten we geloven in kwetsbaarheid, want
alle droomsymbolen van de wereld worden gemakkelijk beschadigd
en hebben voortdurend bescherming nodig. Op de vijfde plaats
moeten we geloven in aanval, want alles moet aanvallen
enkel om te overleven, om in de lichamelijke behoeften te voorzien.
Tenslotte moeten we geloven in schuld. Schuld zegt dat
we straf en dood verdienen, en de wereld waarvan we dromen houdt
nooit op om ons te straffen vanaf onze geboorte tot het moment
dat ze ons uiteindelijk doodt. Daarom zegt de Cursus:
De wereld die je ziet is het waansysteem van hen die gek geworden zijn
van schuld. Kijk nauwlettend naar deze wereld en je zult beseffen
dat dit zo is. Want deze wereld is het symbool van
straf, en al de wetten die haar schijnen te regeren zijn de
wetten van de dood. (T13.in.2:2-4)
Al
met al moeten we wel geloven dat het leven tegengesteld is aan
en verslagen wordt door een tegenwerkende kracht, ‘dat er
krachten overwonnen dienen te worden om überhaupt te kunnen
leven’ (P.2.V.1:5). We moeten wel geloven dat het leven in afzonderlijke delen gesneden kan
worden, dat het beperkt, leeg en behoeftig gemaakt kan worden,
dat het aangevallen en gekwetst, uitgeput en uiteindelijk gedood
kan worden. We moeten wel in de dood geloven.
We
moeten niet alleen maar daarvan overtuigd zijn, maar ook vastbesloten
om onszelf dit te bewijzen. De Cursus zegt dat dit de duistere
drijfveer is achter het voortbrengen van deze droom. Als ons
geloof in afscheiding, beperking, gebrek enzovoort niets anders
dan een reeks overtuigingen in onze geest is, dan zijn die erg
onbestendig. Want we weten allemaal dat overtuigingen fout kunnen
zijn en aan verandering onderhevig. Als we nu een droom voortbrengen
die deze overtuigingen symboliseert, om vervolgens te vergeten
dat het slechts een droom is, verandert de situatie volledig.
Want door te vergeten dat het een droom is lijkt het nu werkelijk
te zijn en onafhankelijk van onze geest te bestaan. En zo zijn
afscheiding, beperking, gebrek en dood die de droom karakteriseren,
niet langer alleen maar overtuigingen. Nu lijken ze deel uit
te maken van de hele constructie van de werkelijkheid. Daarom
dient de droom van de wereld als middel om de werkelijkheid
van onze verkeerde opvattingen te ‘bewijzen’.
Een collectieve droom
Laten
we nu eens teruggaan naar het woord ‘collectief’. Een van de
redenen waarom het zo moeilijk is te beseffen dat deze wereld
een droom is komt omdat hij, in afwijking van onze nachtdromen,
zo ongelofelijk reusachtig, ingewikkeld, consistent en hardnekkig
is. Dit komt volgens mij doordat dit noch een vluchtige, noch
een individuele droom is. Hij wordt gedroomd vanuit een buitengewoon
diep deel van onze geest dat voortdurend in contact staat met
de geesten van alle levende wezens. Daarom is de droom afkomstig
van een veel dieper niveau van de geest dan waar onze nacht-dromen
vandaan komen, een niveau van de geest dat dichter staat bij
de grenzeloze intelligentie van ons Christus-Zelf.
Dit
alles komt erop neer dat de droom van het fysieke universum
gedroomd wordt door een immense oceaan van intelligentie. Deze
oceaan wordt gevormd door de diepere lagen van de ontelbare
geesten die in de slaap van illusie verloren zijn geraakt. Alle
wetten van deze wereld, de wetten van de natuurkunde, de scheikunde,
de biologie etc. zijn simpelweg collectieve afspraken tussen
de delen van deze oceaan in de geest. Als je al versteld stond
van de levendigheid en gedetailleerdheid van je nachtdromen,
van de complexiteit van wat je onderbewuste spontaan voort kan
brengen, stel je dan de droom eens voor die uit een vele malen
dieper en uitgestrekter rijk van de geest voortkomt. Eigenlijk
hoef je je dat niet eens voor te stellen. Het enige dat je hoeft
te doen is om je heen te kijken.
Daarom
zijn de beelden uit ons wakkere leven niet werkelijker dan de
beelden in onze nachtelijke dromen. Ze zijn alleen duurzamer,
complexer en meer samenhangend, omdat ze vanuit een veel dieper
en ruimer niveau van de geest gedroomd worden. Maar het is en
blijft niets dan een droom. Het is een reeks beelden die in
de geest vastgehouden wordt, voorstellingen die zullen verdwijnen
zodra de geest ermee ophoudt ze te dromen.
De
aarde is niet ons thuis
Nu
kunnen we teruggaan naar de aanvankelijke lijst van opvattingen
omtrent de natuur. Zelfs al waren sommige opvattingen in conflict
met andere, ze deelden allemaal eenzelfde basisovertuiging.
Allemaal veronderstelden ze dat de aarde ons thuis is, dat zíj
ons voortbracht, dat zíj ons onderhoudt, dat dit de plek is
waar we leven en sterven. Denk eens na over het woord ‘thuis’
en wat dat inhoudt. Jouw thuis is daar waar je hoort, waar je
past. Als iets jouw thuis is, dan wordt aan de hand daarvan
bepaald wat je bent. Als de aarde ons thuis is, dan moeten we
van dat soort zijn dat past bij dat huis: nietige, kwetsbare
fysieke schepselen die andere schepselen moeten verslinden om
te overleven voordat we zelf onvermijdelijk verslonden worden.
Is dit al wat we zijn? Is dit het beste waar een onbegrensde
Schepper toe in staat is?
Gelukkig
is de aarde niet ons thuis. Ze is niet onze moeder. God is onze
Moeder. God is ons thuis. God is Degene Die ons schiep, God
is Degene Die voor ons zorgt, God is waar we leven, en in God
zullen we nooit sterven. En ondanks dat we op aarde schijnen
te leven, leven we feitelijk in God, nu, op dit moment, enkel
dromend van de aarde. Zoals de Cursus zegt: ‘Jij bent thuis
in God, terwijl je droomt van ballingschap, maar je bent volmaakt
in staat tot de werkelijkheid te ontwaken … ’ (T10.1.2:1). ‘ … God schiep jou als een deel van Hem. Dat is tegelijkertijd waar
je bent en wat je bent’ (T6.II.6:2-3). Anders gezegd: de aarde is niet ons thuis. God is ons thuis. We maken
geen deel uit van de aarde. We maken deel uit van God.
Wat
zou de droom van de aarde anders kunnen zijn dan een poging
om een vervangende woonplaats te bouwen, een substituut voor
ons werkelijke thuis? De aarde is een bewegende voorstelling
van onze poging om aan onszelf onze oorsprong te verklaren,
ons leven, onze behoeften en onze lotsbeschikking zonder God.
Is het niet vreemd dat je het luchtruim met een telescoop kunt
doorvorsen en de aarde met een microscoop kunt onderzoeken -
en God nooit ziet? Hij is nergens te zien. Dit fundamentele
gegeven is geen foutje in het ontwerp. Het verwijst juist naar
het vooropgezette doel van het hele bouwsel. Het fysieke universum
is een droom die bedacht is om ons te bewijzen dat we geen deel
van God uitmaken, dat Hij ons thuis niet is.
De
goede kant van de natuur
Ik
denk echter dat de Cursus ook wel wat positieve dingen over
de natuur te vermelden heeft. Uit het voorafgaande kun je gemakkelijk
de indruk krijgen dat de aarde louter een duistere droom is,
en dat er met betrekking tot de planten, dieren, bergen en rivieren
niets werkelijk of liefdevol is. Maar door zo ver te gaan denk
ik dat we de Cursus verkeerd begrijpen. Wat doen we dan bijvoorbeeld
met de volgende passage: ‘Denk niet dat jij de wereld maakte.
Illusies, ja! Maar wat waar is op aarde en in de Hemel, gaat
jou te boven?’ (WdI.184.8:1-3)
Voorzover
ik het kan overzien zijn er twee redenen om van de natuur te
houden en haar te waarderen. Ze komen overeen met de twee manieren
waarop de Cursus spreekt over wat hij de werkelijke wereld noemt.
Voorzover ik het begrijp betekent de werkelijke wereld zien
1) het tijdloze licht waarnemen achter elke vorm in deze wereld,
en 2) de liefdevolle gedachten waar-nemen die meewerkten bij
het maken van deze wereld. We zullen ze één voor één bekijken.
1.
Achter iedere verschijningsvorm bevindt zich een deel van God
Vanuit
het standpunt van de Cursus wordt elk menselijk lichaam met
een deel van het Zoonschap in verband gebracht. Dit betekent
dat er voor elk menselijk lichaam een slapende geest in de Hemel
bestaat, een deel van de Christusgeest die droomt dat hij in
dat lichaam leeft. Er is sprake van een geest die denkt min
of meer dat lichaam
te zijn, geboren te worden met diens geboorte en te sterven
met diens dood. Als Course-studenten is het onze taak om de
dromer van de droom te scheiden: om voorbij het lichaam te zien
naar de dromende geest. Want deze geest is als deel van God
eeuwig, hij is iets dat we zonder enig voorbehoud kunnen liefhebben.
Nu
legt de Cursus er eveneens sterk de nadruk op dat dit ook voor
dieren geldt, door de herhaalde zinsnede ‘alle levende wezens’
[engl.: all living things]. Deze zinsnede houdt in dat
er voor elk dierenlichaam een slapende geest in de Hemel bestaat
die in dat lichaam denkt te leven. En zo verdienen dieren dezelfde
onvoorwaardelijke liefde en heilig respect als mensen.
En hoe zit het met de planten? Hoe zit het met levenloze voorwerpen
als gesteente of meubilair? Ik geloof dat de Cursus er overduidelijk
in is dat ook dit lichamen zijn die voor dromende geesten in
de Hemel staan. Laten we eens naar de volgende passage kijken:
Ik dank Je, Vader, omdat ik weet dat Je elke smalle kloof zult komen dichten
die ligt tussen de gebroken stukken van Jouw Heilige Zoon …
Hoe heilig is het kleinste korreltje zand, wanneer het als deel
van het voltooide beeld van Gods Zoon herkend wordt.
(T28.IV.9:1,4)
Dit
lijkt zeker te zeggen dat een korreltje zand een van de ‘gebroken
stukken’ van het Zoonschap is. Hoe is dat mogelijk? Misschien
is het enkel beeldspraak, enkel dichterlijke vrijheid. En alsof
onze gedachten gelezen worden beantwoorden de aansluitende zinnen
direct onze vraag en nemen alle twijfel weg:
De vormen die de gebroken stukken lijken aan te nemen betekenen niets.
Want het geheel is in elk ervan. En ieder aspect van Gods Zoon
is precies hetzelfde als elk ander deel.
(T28.IV.9:5-7)
Met
andere woorden, als jij denkt dat een zandkorreltje geen deel
van Gods Zoon kan zijn zoals jij dat ook bent, herinner je dan:
‘De vormen die de gebroken stukken lijken aan te nemen betekenen
niets’. Het is duidelijk dat de Cursus zegt dat ongeacht de
vorm - of het nu een menselijk lichaam, een dierlijk lichaam,
een plant of een zandkorrel is - achter alles een ‘gedeelte’,
een ‘stukje’, een ‘aspect’ van de Geest van Gods Zoon aanwezig
is.
Les
28 en 29 hebben dezelfde strekking met betrekking tot een tafel.
Dit kan dermate lastig te geloven zijn dat ik ter verduidelijking
graag één voor één naar de beweringen omtrent de tafel wil gaan
kijken.
1. Er wordt gezegd dat als we
vanuit de visie van Christus naar een tafel kijken deze ‘oneindig
waardevol’ wordt (WdI.28.5:2). Alleen wat God schept heeft
oneindige waarde. De tafel moet dus door God geschapen zijn.
2.
We lezen dat de tafel niet ‘afgezonderd is, op zichzelf of
in zichzelf’ (WdI.29.1:2). Dit betekent dat de werkelijkheid
van een tafel geen fysieke vorm is, want alle vormen staan op
zich. Dus is er iets buiten de fysieke vorm om, iets vormeloos,
dat de werkelijkheid van de tafel is.
3. Er wordt gezegd dat de tafel
haar werkelijke bedoeling deelt met de bedoeling van ‘heel
het universum’ (WdI.28.5:3). Dit betekent dat een tafel
deel uitmaakt van het universum. In de Cursus wordt met ‘universum’
niet het fysieke universum bedoeld. Het verwijst naar het universum
dat God schiep: het Zoonschap. Met andere woorden: een tafel
is deel van het Zoonschap.
4. In deze zelfde zinnen wordt
ons gezegd dat een tafel in de bedoeling van het universum deelt
en zo ‘deelt in de bedoeling van de Schepper daarvan’
(Wdl.29.2:5). Wederom is de tafel deel van het universum
dat God schiep. De tafel werd door God geschapen; uiteraard
niet de vorm van de tafel, maar de werkelijkheid achter de vorm.
Kortom,
datgene waarvan wij denken dat het een tafel is - haar fysieke
verschijningsvorm - is niet wat ze is. Voorbij de vorm is er
een vormeloos iets dat God geschapen heeft en waarin Hij verblijft.
Ergens in de Hemel is er dus een geest die deze tafel droomt
te zijn en die één is met en gelijk is aan de onze. Deze geest
- wiens huidige staat naar mijn idee vele malen onbewuster is
dan de onze - denkt geboren te zijn toen de tafel gemaakt werd.
Hij kreunt in doffe pijn als de tafel beschadigd wordt en is
vagelijk bang voor de vernietiging ervan. En hoewel de vorm
van de tafel illusie kan zijn, is de geest die haar denkt te
zijn daadwerkelijk deel van God. Onze vorm (d.w.z. onze lichamen),
de vorm van de tafel en alle vormen in de natuur zijn de dromen
die wij gemaakt hebben. Maar achter elk ervan bevindt zich een
werkelijkheid, door God geschapen.
Dit
is wat les 29 volgens mij bedoelt als er staat: ‘God is in
alles wat ik zie.’ In wezen gaat deze les verder door te
zeggen dat dit feit ‘de algehele basis voor visie vormt’
(Wdl.29.1:5). Je zou kunnen zeggen dat de visie van Christus, die ons verlost, inhoudt
dat we God in elke verschijningsvorm zien.
Hoe
ziet de natuur er dan uit met de visie van Christus? Gebaseerd
op het bovenstaande veronderstel ik dat Christus’ visie ons
in staat zou stellen om automatisch voorbij alle verschijnings-vormen
in de natuur te kijken. We zouden ons realiseren dat het niet
uitmaakt wat de vorm ook lijkt te zijn, dat zich achter elk
ervan de stralende vonken van God bevinden. En zo zouden we,
of we nu een eekhoorn, een vogel, een slang, een kever, een
struikgewas, een boom of een rivier zien, weten dat ze allemaal
hetzelfde zijn, allemaal delen van Gods éne Zoon, dat de ‘vormen
die de gebroken delen schijnen aan te nemen niets betekenen’.
We zouden de gehele uiterlijke verschijning van de natuur kunnen
zien als een nauwelijks waar te nemen mist. We zouden de bezielde
sterrenschare van een versplinterd Zoonschap kunnen waarnemen
die achter de mist ligt die nauwelijks de oneindige schoonheid,
zuiverheid en waarde van elk van de onmetelijke stralende fragmenten
verbergen kan. We zouden in staat zijn ieder onderdeel zonder
enige reserve lief te hebben, groot of klein, bezield of schijnbaar
onbezield. En we zouden kunnen zien hoe al deze ontelbare aspecten
van God gebukt gaan onder het juk van beperking. We zouden ook
zien hoe ze allen onophoudelijk naar huis verlangen: naar het
geluk, de veiligheid en volmaakte vrede die ze denken te vinden
in voedsel, paren en overleven, maar die enkel gevonden kan
worden in God.
Het
gegeven dat de hele natuur bezield wordt door het afgescheiden
Zoonschap kan volgens mij als uitgangspunt dienen om op een
verlichte wijze met mens en milieu om te gaan. Deze benadering
van de ecologie zou zich pas in de tweede plaats bezig moeten
houden met verschijningsvormen: hoe ze in stand te houden, te
beschermen en te zuiveren. Ze zou zich allereerst moeten richten
op een liefdevolle relatie met onze andere broeders. We zouden
uitgaan van dezelfde principes die de Cursus op menselijke relaties
toepast en deze gebruiken in relatie met ‘al wat leeft’.
Dit betekent eerst en vooral voorbij te zien aan de uiterlijke
vorm naar het innerlijke Christuslicht in alles. Maar dit betekent
ook dat we, als we dat gedaan hebben, deze visie van liefde
in de vorm van concreet gedrag gaan uitdrukken. En je drukt
geen liefde uit voor een deel van het Zoonschap dat denkt in
een plantenlichaam te leven, door dit plantenlichaam achteloos
te beschadigen en te vernietigen, net zomin als je niet liefdevol
naar een ander mens toe bent als je zijn lichaam met je auto
overhoop rijdt. Zodoende is volgens mij veel van de gebruikelijke
ecologie op z’n plaats, maar alleen als het behouden, beschermen en koesteren van verschijningsvormen
niet als doel op zich wordt gezien, maar als middel om de liefde
naar de geest binnen
deze vormen uit te drukken. Dit alles lijkt uiteraard veel op
het inzicht dat destijds de spirituele gemeenschap van Findhorn
in Schotland inspireerde. En ik denk dat dit inzicht in principe
gezond is.
2.
De Heilige Geest had een hand in het maken van de wereld
Dit
onderwerp vraagt om een zorgvuldige aanpak, want de Cursus is
er heel duidelijk in dat de wereld onze droom is, dat ze in
de eerste plaats ons idee was en dat wij haar bedacht hebben.
Maar ik denk dat het evenzo duidelijk is dat de Heilige Geest
een vinger in de pap had oftewel het ontwerp van de fysieke
wereld in zekere mate beïnvloedde.
De
eerste aanwijzing hiervoor vinden we in het begin van de Tekst
waar gezegd wordt dat ‘de Verzoening in het geloof in ruimte
en tijd ingebouwd werd …’ (T2.II.5:1). Omdat het geloof in tijd en ruimte de oorzaak
is van het fysieke universum, is het een erg belangrijk gegeven
dat de Heilige Geest de Verzoening in dat geloof heeft ingebouwd.
Het betekent namelijk dat het fysieke universum de uitbeelding
moet zijn van zowel ons geloof in tijd en ruimte alsook van
de Verzoening die in deze overtuiging werd ingebed.
Die
wordt echt duidelijk wanneer de Cursus de werkelijke wereld
beschrijft. Terwijl de wereld uit alle vormen bestaat die wij
gemaakt hebben, is de werkelijke wereld de totale som van alle liefdevolle gedachten
die het ontstaan van deze vormen binnengingen. ‘De liefdevolle gedachten die de geest [van Gods Zoon] in deze wereld
waarneemt zijn de enige werkelijkheid van de wereld’
(T11.VII.2:2). ‘Van al wat jij gemaakt hebt, is de werkelijke
wereld het enige dat de Heilige Geest voor jou heeft bewaard...’
(T11.VII.4:9). ‘In de
werkelijke wereld … [worden er] alleen liefdevolle gedachten
waargeno-men’ (T11.VIII.10:1-2). ‘…alleen de liefdevolle gedachten van
Gods Zoon [maken] de werkelijkheid van de wereld uit ...’
(T12.III.7:1).
Ik
denk dat het door de toon van de Cursus duidelijk wordt dat
de meerderheid van de gedachten die deze wereld maakten niet
liefdevol was. En dit wordt weerspiegeld in de patronen van
aanval, vernietiging en dood die in deze wereld universeel zijn.
Tegelijkertijd zegt de Cursus heel duidelijk dat er ook liefdevolle gedachten bij het maken van deze wereld aanwezig waren.
En ook zij moeten op de een of andere manier in de vormen der
natuur weerspiegeld worden.
Hoe
weerspiegelt of symboliseert de natuur de liefdevolle gedachten
die haar ontstaan binnengingen? Dit is een makkelijke vraag,
want in alle opzichten impliceert de Cursus dat gezonde en levendige
vormen symbolen zijn van geheeld of liefdevol denken. De Cursus
beweert bijvoorbeeld consequent dat een gezond menselijk lichaam
het droomsymbool is van een gezonde geest. Op dezelfde manier
wijst de Cursus er regelmatig op dat een gezonde, overvloedige
en levendige natuur eveneens een droomsymbool is van geheeld
denken. Zo vertelt hij ons dat de heelwording van de geest,
die door het doen van een Werkboekles tot stand komt, een gebroken
vleugel van een vogel kan helen of een opgedroogde stroom weer
opnieuw kan laten stromen (WdI.109.6-7). En tenminste drie keer (T18.VIII, T26.IX en WdII.13) suggereert de Cursus dat omstandigheden van
onvruchtbaarheid en verlatenheid symbolen van het ego zijn,
terwijl ontspruitend leven een symbool van geheeld denken is.
Daarom
kunnen we ervan uitgaan dat de Cursus de elementen van de natuur
die gezondheid, schoonheid, leven, overvloed, harmonie, orde
en samenwerking weerspiegelen, als producten ziet van de liefdevolle
gedachten die mee in deze wereld kwamen. Deze aspecten van de
natuur zijn droomsymbolen van liefde. Daarom is de Cursus helemaal
niet tegen het aanschouwen van schoonheid in de natuur, want
de mooie vormen kunnen ons leiden naar de mooie gedachten erachter.
En deze gedachten zien betekent de werkelijke wereld zien.
Het
idee dat gezonde, liefdevolle gedachten de schoonheid in de
natuur hebben voorgebracht wordt in de paragraaf ‘De vergeven
wereld’ heel duidelijk gemaakt. Daar wordt ons gezegd:
De Grote Omvormer van de waarneming zal samen met jou zorgvuldig de geest
gaan onderzoeken die deze wereld heeft gemaakt, en de schijnbare
redenen waarom jij die gemaakt hebt voor je blootleggen. In
het licht van de werkelijke rede die Hij brengt wanneer je Hem
volgt, zal Hij jou tonen dat hier helemaal geen rede is.
(T17.II.5:2-3)
Anders
gezegd, de Heilige Geest wil jouw motieven achter het maken
van deze wereld aan het licht brengen en je tonen dat het jouw
eigen waanzin was die haar maakte. Maar er zijn cruciale woorden
aan toegevoegd:
Zelfs wat de Zoon van God in zijn waanzin heeft gemaakt, kan niet verstoken
zijn van een verborgen vonk van schoonheid, die door zachtmoedigheid
kan worden bevrijd.
(T17.II.5:3)
Dit
betekent dat er zich zelfs in de waanzin die deze wereld gemaakt
heeft, een sprankje geestelijke gezondheid bevond: er waren
enkele liefdevolle gedachten aanwezig. En ook al hebben deze
liefdevolle gedachten minder invloed op het maken van de wereld,
ze zijn nog steeds aanwezig. En ze worden zichtbaar uitgedrukt
in de vormen der natuur. De Cursus maakt dit in de volgende
alinea volkomen duidelijk:
Al deze schoonheid zal oprijzen om je zicht te zegenen wanneer jij de wereld
met vergevende ogen ziet … Het kleinste blaadje wordt iets wonderbaarlijks,
en een grassprietje een teken van Gods volmaaktheid. (T17.II.6:1,3)
Het
blaadje en het grassprietje zijn dus ‘tekenen’ of symbolen van
de gedachten die hen maakten. En aangezien zich er een paar
liefdevolle gedachten bij hun ontstaan voegden, zijn er aspecten
van het blaadje en van de grasspriet die symbolen van liefde
zijn (zelfs ‘van Gods volmaaktheid’). Laten we dit veralgemenen:
de natuur bevat elementen die getuigen van het liefdevolle en
gezonde denken dat deel uitmaakte van het dromen van deze wereld.
In feite kunnen we - als we met de ogen van vergeving kijken
(zoals deze paragraaf verzekert) - overal symbolen van liefde
waarnemen, zelfs in wat we doorgaans als alledaags beschouwen
zoals bladeren of grassprietjes. Vergeving kan schoonheid in
de natuur openbaren waar wij die nooit verwacht hadden.
En
uiteraard is het onmogelijk liefdevolle gedachten te denken
die de Heilige Geest niet heeft geïnspireerd. Als liefde aanwezig
is, dan is Hij in deze liefde. Daarom kan gezegd worden
dat de werkelijke wereld, die de gehele som is van alle liefdevolle
gedachten ach-ter deze wereld, door de Heilige Geest geïnspi-reerd
is: ‘ … want de werkelijke wereld is het geschenk van de
Heilige Geest … ’ (T12.VI.3:6). Daarom
wordt in de paragraaf ‘Waarneming en keuze’ (T25.III) de Heilige Geest meerdere malen de Maker van
de werkelijke wereld genoemd. Kijk bijvoorbeeld eens naar de
volgende passage:
Er is een andere Maker van de wereld, die tegelijk
de Corrector is van het dwaze geloof dat er iets tot stand gebracht
en instandgehouden kan worden zonder enige schakel die het toch
binnen de wetten van God houdt; niet zoals de wet zelf het universum
zoals God dat geschapen heeft instandhoudt, maar in een bepaalde
vorm die aangepast is aan de behoefte die de Zoon van God gelooft
te hebben. (T25.III.4:1)
Mijn
interpretatie is als volgt: toen we eenmaal de wereld van haat,
van begrenzing en dood begonnen te dromen bracht de Heilige
Geest gelijktijdig Zijn correctie van die wereld in ons droomproces
in. Hij bouwde in het geloof van tijd en ruimte de Verzoening
in. Deze correctie werd een deel van de wereld zelf (waardoor
Hij ‘een andere Maker van de wereld’ genoemd kan worden), een
stem op de achtergrond die spreekt van liefde, schoonheid, orde
en harmonie in een wereld die
gedomineerd
wordt door haat, lelijkheid, chaos en de dood. Je zou kunnen
zeggen dat er wetten geweven werden in de droom van het fysieke
universum die de liefdevolle wetten van Gods universum, het
Zoonschap, weerspiegelden. En zo werd er een verbinding gelegd
die de wereld ‘nog steeds binnen de wetten van God’ houdt.
Daarom
heeft de wereld twee steunpilaren. Het onderliggende mentale
fundament is voornamelijk ego, maar in het cement van dit fundament
werd een soort oplosmiddel gemengd, een correctie voor het ego
- de Heilige Geest. En deze beide steunpilaren worden
afgebeeld in de vormen van de natuur en uitgewerkt in haar drama’s
en taferelen.
Als
we dit aan onze discussie over liefdevolle gedachten toevoegen
kunnen we zeggen dat de Heilige Geest in staat was ons droomproces
binnen te gaan dankzij de toestemming die Hem door onze liefdevolle
gedachten gegeven werd. Door met deze liefdevolle gedachten
te werken bood Hij tegenwicht aan de haatgedachten die het droomproces
be-heersten, en zorgde hij ervoor dat er in deze wrede en harde
wereld voortdurend herinneringen of droomsymbolen van ons werkelijke
thuis zouden zijn. Hij liet ons Zijn oproepen overal na: in
de schoonheid van bloemen, de gratie van dieren, de pracht van
zonsondergangen en in de grootsheid van de sterrenstelsels.
Deze
schitterende vormen kunnen ons bij onze spirituele groei behulpzaam
zijn. We zien de werkelijke wereld niet met onze ogen, want
het is een gedachtenwereld die we met onze geest zien. Dit aanschouwen
betekent mentaal de liefde gewaarworden, de helende gedachte
die in deze wereld aanwezig is. Toch kunnen we met deze gedachte
in aanraking komen door ons te verdiepen in de vormen die zij
maakte. Want deze vormen hebben de mogelijkheid om de liefde
erachter aan onze geest over te brengen. Het symbool kan ons
naar datgene brengen wat er mee gesymboliseerd wordt.
Als
we dus de natuur ingaan en naar de schoonheid van een beekje,
een boom of een gebergte kijken, de complexe schoonheid die
de microscoop ons onthult bekijken of de grootsheid die de telescoop
openbaart, dan kunnen we tegen onszelf zeggen: ‘Wat een schitterend
droomsymbool van ons werkelijke thuis’.
Samenvatting
Het
beeld dat de Cursus van de natuur schetst, zoals ik dat begrijp,
is fascinerend. De Cursus kijkt nuchter naar de natuur, ongepassioneerd,
zonder romantische waas voor ogen. Hij ziet dat de natuur een
toonbeeld is van begrensd leven dat tegengewerkt en geregeerd
wordt door de dood. En omdat de werkelijkheid oftewel de Hemel
onbegrensd leven is, zonder één enkele tegenstelling, kan de
natuur niets anders zijn dan een illusie. Ze kan onmogelijk
de schepping van God zijn, maar is een droom van onszelf, een
droom die uitmondt in een onmetelijke rusteloze oceaan van slapende
geesten in de Hemel. Deze droom is de uitbeelding van ons geloof
dat we afgescheiden zijn, beperkt, gebrekkig, kwetsbaar, aanvallend
en schuldig. Hij getuigt van ons geloof dat het onbegrensde
leven van de Hemel verminderd, gekwetst, in stukken gebroken
en uiteindelijk gedood kan worden. Het is een beeld van onze
overtuiging dat we God uit ons leven kunnen bannen, dat we een
plek kunnen maken die Hem buitensluit en die we daadwerkelijk
ons thuis noemen.
Toch
bevinden zich in deze duistere droom sprankjes van licht. Achter
elke begrensde vorm van de natuur bevindt zich één van de schitterende
geesten die dit geheel gedroomd heeft. Deze geest is slapende
in wat hij werkelijk is, hij is misleid en verward. Toch blijft
hij net zo onschuldig en mooi als vanaf het eerste moment van
zijn schepping, want in de Hemel bestaat er slechts één ogenblik.
En
zelfs in de oceaan van duistere gedachten die deze wereld droomden
werden liefdevolle gedachten geweven, door de Algeest geïnspireerde
gedachten. Deze liefdevolle gedachten vinden hun weerspiegeling
in de mooie verschijningsvormen en patronen van de natuur. En
een geest die werkelijk met deze gedachten in contact staat
zal in de natuur schoonheid waarnemen ver voorbij wat normaliter
gezien kan worden.
De
natuur is niet ons thuis. Ze is geen geschikte verblijfplaats
voor de Zoon van God. Ze is
één voortgaande oorlog. Maar er is ruimte om haar lief te
hebben en te waarderen. Het is onze taak om onze broeders lief
te hebben en voor hen zorg te dragen, voor de ontelbare gebroken
stukken van de Zoon van God die achter de talloze verschijningsvormen
van de natuur liggen. En het is onze taak om de schitterende
vormen der natuur als droomsymbolen te zien, droomsymbolen van
een bovenaardse schoonheid die onze fysieke ogen nooit zullen
aanschouwen.