A.
Waarom heeft
de afscheiding plaatsgevonden?
Waarom zou een deel van het Zoonschap zich van God
willen afscheiden? In aanmerking genomen hoe glorieus en vreugdevol
de Hemel volgens de Cursus is, is het beslist moeilijk ons voor
te stellen waarom we haar ooit zouden willen verlaten. Als we
kijken naar wat de Cursus zelf hierover zegt komt dit neer op
de volgende drie punten:
1.
Het Zoonschap bestaat uit delen, zelfs in de Eenheid
van de Hemel.
Om
het antwoord van de Cursus op de vraag waarom we ons afgescheiden
hebben te begrijpen, is het belangrijk ons te realiseren dat,
zelfs in de Eenheid van de Hemel, het Zoonschap uit ‘delen’
bestaat. De Cursus zegt of impliceert dit op een aantal plaatsen,
zoals in deze zin uit het Werkboek: ‘De schepping is de som
van al Gods Gedachten, oneindig in getal en overal totaal zonder
beperkingen’ (WdII.11.1:1). Let in
deze zin op de verwijzingen naar ‘som’, ‘Gedachten’, en ‘getal’,
allemaal woorden die op meerdere delen duiden. De Cursus heeft
zelfs op zijn minst één duidelijke verwijzing naar individuen
in de Hemel (T4.VII.5:1). Kortom: het Zoonschap omvat delen (de Zonen van God)
die op een ondoorgrondelijke wijze duidelijk los staan van elkaar,
maar toch tegelijkertijd absoluut één zijn: ‘Het Zoonschap
in zijn Eenheid overstijgt de som van zijn delen’ (T2.VII.6:3). Dit is, zoals je waarschijnlijk al hebt geraden, een
van die onoplosbare paradoxen.
2.
Sommige van deze delen wilden speciale liefde van God, maar
God kon aan dit verzoek niet voldoen, omdat Hij iedereen evenveel
liefheeft.
Hoe
paradoxaal het idee ook is dat er zelfs in de Eenheid van de
Hemel ’delen’ bestonden, toch is het essentieel om te begrijpen
hoe het kon dat een deel van het Zoonschap zich wilde afscheiden.
Waarom is dit zo belangrijk? Omdat de Cursus ons vertelt dat
de voornaamste reden waarom wij ons afgescheiden hebben
was omdat bepaalde delen van het Zoonschap speciale gunsten
wilden van God: ‘Je was in vrede tot je om een speciale gunst
hebt gevraagd (van God)’ (T13.III.10:2). Het oorspronkelijke verlangen waarmee de afscheiding
begon, was niets anders dan
‘het nietig, dwaas verlangen om afgescheiden, verschillend
en speciaal te zijn’ (T25.I.5:5).
Met andere woorden, sommige delen van Het Zoonschap wensten
meer van Gods Liefde dan andere, zij wilden Zijn favorieten
zijn. Zij wilden dat Papa hen uitkoos en hen met meer genegenheid
zou overstelpen dan Hij aan Zijn andere kinderen gaf.
Natuurlijk
kon God onmogelijk aan één deel meer liefde geven dan aan een
ander. Het hele verzoek was betekenisloos: ‘want het verzoek
was Hem wezensvreemd, en je kon zoiets niet vragen van een Vader
die Zijn Zoon waarlijk liefheeft’ (T13.III.10:3). Meer liefde aan sommigen geven –en dus minder aan
anderen- is een inbreuk op het wezen van de liefde zelf. En
omdat het een inbreuk is op het wezen van de liefde, was het
verzoek om speciale liefde in werkelijkheid een verzoek om pijn,
en God kon en wilde Zijn Zoon geen pijn doen. En daarom wees
God het verzoek om speciale liefde af. Ware liefde is per definitie
onbegrensd, en onze liefhebbende Vader kan slechts ware liefde
geven.
3.
Daarom kozen deze delen van het Zoonschap ervoor om in opstand
te komen tegen God, en eigenden zich Zijn rol als Schepper toe
door zichzelf te herscheppen, om zo aan zichzelf de speciaalheid
te geven die Hij hun niet gaf.
Helaas wilden wij - delen van het Zoonschap die hunkerden
naar speciale liefde - het niet zo gemakkelijk opgeven. En daarom
besloten we, als God ons niet speciaal wilde maken, om alle
banden met deze waardeloze Pa te verbreken en onze eigen weg
in te slaan.
We
zouden ons Zijn creatieve kracht toe-eigenen en onszelf herscheppen,
en zodoende voor onszelf de speciaalheid maken die God ons niet
wilde geven. En dit is precies wat de Cursus zegt dat we deden.
We verklaarden onze onafhankelijkheid, en zo begon het hele
proces van de afscheiding. En de rest, zoals we gewoonlijk zeggen,
is geschiedenis.
Alvorens
door te gaan naar de vraag hoe
de afscheiding heeft plaatsgevonden, moet er nog één belangrijk
ding gezegd worden over dit derde punt: deze opstand vond slechts
plaats in de geesten van het Zoonschap. Het is niet
werkelijk. We zijn niet werkelijk in staat onszelf te herscheppen
en de Wetten van de Hemel teniet te doen. Het hele drama vond
slechts plaats in de verbeelding van Gods Zoon.
B.
Hoe heeft de afscheiding plaatsgevonden?
Hoe kon een deel van het Zoonschap die daad van de afscheiding
volbrengen? Dit is in wezen hetzelfde als vragen: ‘Hoe is het
ego ontstaan?’ Er zijn drie belangrijke plaatsen in de Cursus
waar het ontstaan van de afscheiding en het ego besproken worden,
en elk ervan geeft ons een ietwat verschillend (maar samenhangend)
antwoord:
1.
De afscheiding heeft in werkelijkheid niet plaatsgevonden.
Een van de plaatsen waarin besproken wordt hoe het ego
ontstaan is, is hoofdstuk 2 van de Verklaring van Termen, speciaal
geschreven met het doel om de term ‘ego’ te definiëren (samen
met de term ‘wonder’). Het heeft iets heel uitdagends te zeggen
over onze poging om grip op het ego te krijgen:
Wie jou vraagt het ego te definiëren en uit te
leggen hoe het is ontstaan, kan alleen maar iemand zijn die
denkt dat het werkelijk is en die dankzij deze definitie probeert
te waarborgen dat de illusoire aard ervan achter de woorden
wordt verborgen die het werkelijk doen lijken. Er bestaat geen
definitie voor een leugen die dient om deze waarheid te verlenen. (VvT2.2:5-3:1)
In werkelijkheid heeft de afscheiding (en het afgescheiden
zelf - het ego) helemaal niet plaatsgevonden. Zoals ik hierboven
al zei, het leek alleen
maar te gebeuren, het is louter een verzinsel van onze verbeelding.
Door te vragen hoe de afscheiding tot stand kwam, bevestigen
wij juist ons geloof dat het wél gebeurd is. Door te
proberen de strikvraag van het ego op te lossen, maken we het
juist werkelijker in onze geest. En dit zit achter al onze vragen:
om de werkelijkheid van de afscheiding te bevestigen. De vraag
‘Hoe heeft de afscheiding plaatsgevonden’ is in wezen dus een
ego-truc om ons geloof in de werkelijkheid van het ego te versterken.
2.
Wij, die de afscheiding en het ego oorspronkelijk gemaakt hebben,
maken deze ieder moment van de dag opnieuw door onze voortdurende
ontkenning van God. Door in te zien dat dit proces in het heden
nog steeds gaande is, hebben we de sleutel in handen tot het
begrijpen en ongedaan maken ervan.
Een andere plaats waar dit onderwerp wordt besproken
is in hoofdstuk 4 van het Tekstboek, waar nog een andere interessante
en onverwachte wending aan deze vraag gegeven wordt:
Jouw eigen staat van denken is een goed voorbeeld
van hoe het ego werd gemaakt. Wanneer je kennis hebt weggegooid,
lijkt het alsof je die nooit hebt gehad. Dit is zo duidelijk
dat je het alleen maar hoeft te erkennen om te zien dat het
echt zo gebeurt. Als dit in het heden plaatsvindt, waarom wekt
het dan verbazing dat het in het verleden plaatsvond? (T4.II.3:1-4)
Hier doelt Jezus op een verschijnsel waar we allemaal
mee bekend zijn: het verschijnsel van de ontkenning. Ontkenning
is een psychologisch verdedigingsmechanisme waarbij iemand gedachten,
gevoelens of herinneringen uit zijn bewustzijn verdringt en
zo alles daaromtrent vergeet, hoewel deze nog steeds diep in
zijn geest begraven zijn. Het is duidelijk dat we dit voortdurend
met allerlei zaken doen; ontkenning maakt inderdaad zo’n onderdeel
van het leven van alledag uit dat we vaak spreken over mensen
die ‘in de ontkenning’ leven. Daarom, zo veronderstelt de Cursus,
zou de theorie over de afscheiding die hij presenteert, niet
al te moeilijk voor ons te begrijpen moeten zijn. Aangezien
we in het heden zo vaak zoveel zaken ontkennen, zou de theorie
van de Cursus over hoe de afscheiding en het ego ontstaan zijn
- dat we in het verleden onze kennis van God en van ons ware
Zelf ontkend hebben - op zijn minst geloofwaardig voor ons moeten
zijn.
Maar het punt waar het om draait is dat deze ontkenning
niet alleen maar een gebeurtenis was uit het verre verleden
(zie vooral T4.II.1:1-3). Integendeel, we zijn
nu nog steeds actief
bezig onze kennis van God en van ons ware Zelf te begraven,
iedere seconde van ons leven, en houden zo de afscheiding en
het ego in stand. En dus zou onze aandacht er niet op gericht
moeten zijn te proberen de vraag te beantwoorden hoe de afscheiding
in het verleden heeft plaatsgevonden. Onze aandacht zou er daarentegen
op gericht moeten zijn op te merken hoe de afscheiding nú op
dit moment nog steeds plaatsvindt in het voortdurende proces
van keuzes maken in onze geest.
Als we onze aandacht op het heden blijven richten kan
de vraag hoe de afscheiding heeft plaatsgevonden getransformeerd
worden van een ego-truc om ons geloof in de afscheiding te versterken
tot ‘de beste vraag die we kunnen stellen’ (T4.II.1:2). Deze gerichtheid
op het heden laat ons het voortdurende proces van de werking
van de afscheiding in onze geest herkennen, en het is deze herkenning
die ons in staat stelt haar ongedaan te maken. Door bewust te
worden van onze ontkenning bevrijden we onszelf om opnieuw te
kiezen en de kennis die we hebben ontkend terug te winnen.
3.
Er is geen intellectueel antwoord op de vraag hoe de afscheiding
heeft plaatsgevonden; het enige antwoord is de ervaring van
de Hemel, die voor eens en voor altijd de afscheiding beëindigt.
Onze
laatste verwijzing komt uit de Inleiding op de Verklaring van
Termen. Net als de twee andere verwijzingen roept hij twijfel
op over onze hele onderneming om naar het ontstaan van de afscheiding
en het ego te vragen.
Het ego zal veel antwoorden eisen die deze Cursus niet geeft … Het ego
vraagt misschien: ‘Hoe heeft het onmogelijke plaatsgevonden?’,
‘Waaraan heeft zich het onmogelijke voltrokken?’, en kan dit
in vele vormen vragen. Maar er is geen antwoord, alleen een
ervaring. Zoek die alleen, en laat theologie je niet ophouden. (VvT.in.4:1-5)
Ik hou
van de manier waarop de Cursus deze vraag stelt: ‘Hoe heeft
het onmogelijke plaatsgevonden?’ Dit is zijn vorm van de vraag
hoe de afscheiding, het ego, de wereld, enz. ontstaan is. Het
is natuurlijk een zinloze, absurde vraag: ‘Hoe kon datgene wat
onmogelijk kon gebeuren werkelijk plaatsvinden?’
Hoe kan
iemand ooit met een antwoord komen op zo’n absurde vraag? ‘Er
is geen antwoord; alleen een ervaring.’ Ik denk dat de ‘ervaring’
waar naar hier wordt verwezen de ervaring is waar de Cursus
ons heen leidt: de ervaring van de werkelijkheid, van de Hemel.
Wat Jezus hier dus zegt is dat er geen intellectueel (of theologisch)
antwoord is op de vraag hoe de afscheiding ontstond; het enige
echte antwoord is daarentegen de ervaring van de Hemel, die
een einde maakt aan de afscheiding - en dit is waar we ons op
moeten richten. In plaats van de vraag van het ego te beantwoorden door
hem uit te leggen, beantwoordt deze ervaring het probleem van het ego door het ongedaan te maken. En als het probleem
van het ego voor eens en voor altijd is opgelost, wie heeft
er dan nog behoefte aan om de vraag te stellen?
Conclusie
Zoals ik al zei confronteren deze vragen ons met allerlei
paradoxen die, naar mijn mening, nooit met woorden op te lossen
zijn. Sommige mensen zien dit als een zwak punt in
de Cursus, ik echter niet; of misschien moet ik zeggen dat,
als het inderdaad een zwakte is, het dezelfde zwakte is die
gedeeld wordt door elk religieus, metafysisch, of wetenschappelijk
systeem dat probeert om de aard van de uiteindelijke werkelijkheid
en hoe dingen ontstaan zijn uit te leggen. Allemaal, of althans
die waarmee ik bekend ben, eindigen in onoplosbare paradoxen.
De
vraag hoe en waarom de afscheiding plaatsvond is een vorm van
het bekende ‘probleem van het kwaad’-vraagstuk: ‘Hoe kan een
liefhebbende, almachtige God het kwaad toelaten?’ Ik heb nog
nooit een intellectueel volledig bevredigend antwoord op die
vraag gezien, van welk religieus of metafysisch systeem dan
ook. Ik denk dat het er uiteindelijk op neerkomt welke van de
verschillende verklaringen jou op het diepste niveau het meest
aanspreekt. Voor mij is dat de verklaring die door de Cursus
gegeven wordt.