Wat zegt de Cursus over depressiviteit?
Wat is haar oorzaak en hoe kan ze geheeld worden?
door Greg
Mackie
Kort antwoord:
In algemene zin wordt depressiviteit
veroorzaakt doordat we ons met het ego identificeren. Dit brengt
een gevoel van beroofd zijn met zich mee - de overtuiging
dat we aan krachten onderhevig zijn die we niet onder controle
hebben, dat we iets missen en niet die dingen kunnen krijgen die
we voor ons geluk behoeven. Depressiviteit wordt geheeld door
ervoor te kiezen het ego op te geven en naar de Heilige Geest
te luisteren, Die ons eraan herinnert dat ons gevoel van beroofd
zijn alleen door onze eigen beslissing komt onszelf te
beroven, en Die ons ervan bewust maakt dat we alles al hebben
wat nodig is om gelukkig te zijn.
Opmerking: Voordat we verder gaan, wil ik duidelijk maken
dat dit artikel niet gebruikt moet worden als een vervangende
behandeling tegen depressiviteit. Hoewel zo nu en dan even ‘neerslachtig’
zijn voor de meesten van ons heel normaal is, is klinische depressiviteit
een ernstige ziekte die verwoestende gevolgen kan hebben. Iedereen
bij wie depressiviteit is vastgesteld of bij wie die meer dan
een paar dagen duurt zou professionele hulp moeten zoeken. Mijn
bedoeling met dit artikel is enkel duidelijk te maken wat de Cursus
over depressiviteit zegt, zodat we beter in staat zijn om vanuit
het perspectief van de Cursus aan depressiviteit te werken.
Depressie wordt veroorzaakt door ons met het ego
te identificeren, wat een gevoel van beroofd zijn met zich
meebrengt - de overtuiging dat we aan krachten onderhevig zijn
die we niet onder controle hebben, dat we iets missen en niet
die dingen kunnen krijgen die we voor ons geluk nodig hebben.
Het ego is het
geloof dat we van God en van onze broeders afgescheiden zijn,
en ‘depressiviteit is een onvermijdelijk gevolg van afscheiding’
(Wdl.41.1:2). Waarom? Omdat afscheiding een gevoel
van gemis teweeg brengt, en deze overtuiging dat we iets
tekort komen is de diepgewortelde gedachte achter alle vormen
van depressie. In essentie is volgens de Cursus het volgende misschien
wel de meest kernachtige definitie van depressiviteit: ‘Depressiviteit
komt van een gevoel beroofd te zijn van iets wat je wilt en niet
hebt’ (T4.IV.3:2). Beroofd zijn betekent niet hetzelfde als zonder iets zijn, maar dat
ons iets ontnomen of onthouden wordt door iets of iemand buiten
onze controle. (Het woordenboek zegt dat ‘beroofd zijn’ zoveel
betekent als: ‘iets wegnemen of onthouden om het te bezitten of
er plezier van te hebben’). Depressie komt dus voort uit de overtuiging
dat we iets essentieels voor ons geluk missen, en dat we
geen hoop meer hebben hetgeen we missen ooit nog te verkrijgen,
omdat het niet in ons vermogen ligt om dat voor elkaar te krijgen.
We worden depressief wanneer de waargenomen bron van geluk voor
altijd buiten ons bereik lijkt te liggen. Depressiviteit is de
emotionele doorvoeling van de gedachte: ‘Ik wil dit, maar ik kan
het niet krijgen.’
Het is niet moeilijk
te zien hoe onze identificatie met het ego tot een gevoel van
verlies en depressie leidt. Als we geloven dat we beperkte en
afgescheiden wezens zijn, zullen we onvermijdelijk het gevoel
hebben misdeeld te zijn. In de Hemel hadden we alles wat we nodig
hadden om gelukkig te zijn, maar nu lijkt het alsof we dit allemaal
kwijt zijn geraakt. Het lijkt wel of we van onbegrensde wezens,
die zich in een grenzeloze hemelse vreugde wentelden, verworden
zijn tot kleine hulpbehoevende schepseltjes die in een vijandige
wereld moeten vechten voor ieder stukje geluk dat we maar kunnen
vinden. En erger nog, er lijkt absoluut geen ontsnapping mogelijk
uit onze misdeelde positie; ongeacht hoe hard we in deze wereld
naar geluk zoeken en hoezeer we dit ook lijken te vinden, uiteindelijk
zijn we gedoemd om het grootste verlies te lijden: de dood. Wat
zouden we in zulk een toestand anders dan depressief kunnen worden?
Het gevoel van
ontbering in de diepte van ons afgescheiden bestaan neemt in deze
wereld vele vormen aan, waaruit volgt dat ook depressiviteit vele
verschijningsvormen kent. Hier volgen enkele specifieke oorzaken
van depressiviteit die de Cursus benoemt. (We zullen vervolgens
ook kijken welke specifieke remedies de Cursus aanbiedt)
We worden depressief omdat we ons eenzaam voelen,
afgesneden van onze Vader, onze broeders en ons ware thuis.
Eenzaamheid is
een van de meest diepe gevoelens van gemis die we kunnen ervaren,
en het is een van de typische oorzaken van depressie. Het kan
natuurlijk de vorm van het gevoel aannemen in deze wereld afgesneden
te zijn van familie en vrienden. Maar deze vorm, hoeveel verdriet
ze ook inhoudt, is een uitdrukking van een veel triestere en dieper
gaande eenzaamheid, een existentiële eenzaamheid van kosmische
afmetingen: omdat we ervoor kiezen afgescheiden te zijn, hebben
we onszelf afgesneden van onze Hemelse familie, ons enige
echte thuis.
De Cursus spreekt
zich hierover op een aantal plaatsen heel duidelijk uit. Les 182
van het Werkboek vertelt ons van de diepe, niet besefte droefheid
die we voelen als het resultaat van de schijnbare verbanning naar
deze wereld; de Christus in ons heeft heimwee en smacht ernaar
om de ‘heilige lucht waar Zijn Vaders huis mee gevuld is weer
in te ademen’ (Wdl.182.5:4). De paragraaf ‘Het vergeten lied’ schildert een overdrachtelijk beeld
van dat huis: een liefdevol huis dat gedeeld wordt met geliefde
broeders, waar een Hemels lied zo schitterend gehoord wordt ‘dat
het jou tot tranen toe bewegen zou, als jij je kon herinneren
hoe dierbaar het jou was’ (T21.1.7:2). Hoeveel moeite we ook doen om ons
verdriet te verbergen door afleiding te zoeken in de ‘pleziertjes’
van de wereld, iets in ons huilt om de vreselijke alleenheid in
onze afgescheiden toestand en verlangt ernaar zich weer te verenigen
met onze Vader en onze broeders. Hoe hard we ook proberen in deze
wereld een thuis voor onszelf te creëren, iets in ons weet dat
we hier niet echt thuishoren. Diep vanbinnen voelen we ons dakloos,
en zo is het niet verwonderlijk dat we ons depressief voelen.
We worden depressief omdat we denken dat we onze
onschuld verloren hebben en die nooit meer terug kunnen krijgen.
Het is erg deprimerend
om te geloven dat we van onze onschuld beroofd zijn, want wat
voor hoop op geluk is er als onze gehele natuur tot op het bot
zwart van schuld is? Maar identificatie met het ego leidt onvermijdelijk
tot schuld, omdat het geloof dat wij ons van God en onze broeders
afgescheiden hebben onvermijdelijk tot de overtuiging leidt dat
we zondaars zijn: overtreders van Gods wetten en voor altijd
beroofd van onze oorspronkelijke originele natuur. (Op aarde kan
dit de vorm aannemen van schuldgevoelens over uiteenlopende ‘zonden’
waarvan we geloven dat we ze hebben begaan, de verschillende manieren
waarop we andere mensen en onszelf pijn hebben gedaan.)
Wie van ons verlangt
niet naar de verloren onschuld? Ik denk dat deze hunkering diep
in de menselijke psyche aanwezig is en zich op verschillende manieren
uit. Ze drukt zich uit in ons verlangen om de onschuld van onze
kinderjaren, zoals wij die zien, te heroveren. Deze hunkering
wordt ook uitgedrukt in het voortdurende menselijke geloof dat
er in het menselijk verleden ooit een Gouden Tijd was, een Verloren
Paradijs dat misschien hersteld wordt als we terugkeren naar het
oude. Terwijl de Cursus niet wil dat we op zoek gaan naar de onschuld
van onze kinderjaren of naar een mythische Gouden Tijd, erkent
hij wel ons verlangen naar onschuld dat deze zoektocht motiveert.
De Cursus zegt zonder meer dat onschuld ons hartsverlangen is:
‘Dit is waar jij naar verlangt’ (Wdl.182.12:2). De overtuiging dat we onze onschuld
verloren hebben zit achter iedere traan die we ooit gehuild hebben,
want ‘wie zou er anders dan om zijn onschuld in tranen zijn?’
(P2.IV.1:7).
We worden depressief omdat we proberen het onmogelijke
te bereiken.
Hoezeer we ook
onze schijnbare afscheiding van God en onze broeders betreuren,
het feit is dat we niet eens het vermogen bezitten om dit werkelijk
te kunnen doen. In eerste instantie lijkt dit goed nieuws,
en uiteindelijk is het dat ook. Maar zolang we ons met het ego
identificeren is dit gebrek aan vermogen, ironisch genoeg, enkel
een nieuwe bron van depressie. Het ego biedt ons een leerplan
van afscheiding aan, maar omdat we niet echt afgescheiden kunnen
zijn, kan het leerplan van het ego niet echt geleerd worden.
We proberen dus het onmogelijke te bereiken, en zoals de Cursus
zegt: ‘geconfronteerd worden met een onmogelijke leersituatie
is het meest deprimerende ter wereld’ (T8.VII.8.3). We zijn onlosmakelijk met elkaar
verbonden wezens die naarstig proberen de afscheiding te leren,
wat lijkt op een man die wanhopig probeert zwanger te worden.
Zolang we in dit doel volharden zullen we ons beroofd voelen,
omdat we onze hoop op geluk vestigen op iets wat we nooit kunnen
bereiken. We zullen gefrustreerd en depressief raken, omdat we
onszelf gedoemd hebben niet te slagen.
We worden depressief omdat we in de war zijn, verdeeld
tussen tegenstrijdige doelen.
Dit punt volgt
uit het voorgaande. Juist omdat we niet in staat zijn werkelijk
afgescheiden te zijn van God en onze broeders, is een deel van
onze geest te allen tijde verbonden met God en met onze
broeders. Dus telkens wanneer we ons met het ego identificeren,
ontstaat er een conflict tussen dat deel van onze geest dat voor
God kiest en het illusoire deel dat tegen Hem is. In het dagelijkse
leven kunnen we dit conflict aan het werk zien in de altijd aanwezige
spanning tussen ons verlangen naar intimiteit (verbondenheid met
anderen) en ons verlangen naar autonomie (afgescheidenheid van
anderen). Onze geesten zijn gespleten tussen twee onderling onverenigbare
doelen, en in deze staat is geestelijke vrede onmogelijk:
Niemand kan tegenstrijdige doelen dienen en dat met goed gevolg doen.
Noch kan hij functioneren zonder diepe smart en hevige depressie.
(WdII.257.1:2-3)
We willen tegelijkertijd
afscheiding én vereniging, maar we kunnen onmogelijk beide hebben.
Één ervan hebben betekent het ander te moeten missen. Hoe kunnen
we in zo’n onmogelijke situatie geluk vinden?
We worden depressief omdat we ons onbekwaam en krachteloos
voelen, niet in staat onze problemen op te lossen en in deze wereld
geluk te vinden.
Net zoals we niet
in staat zijn om ons van God af te scheiden, missen we ook het
vermogen om de ontelbare problemen op te lossen waarmee de wereld
ons lijkt te confronteren. Dit is in onze ogen een zeer ernstig
tekort, want als we ons eenmaal met het ego identificeren, plaatsen
we onszelf in een positie waarin we blijkbaar ons geluk aan de
wereld buiten ons moeten ontfutselen. We geloven dat het geluk
ligt in het oplossen van de vele problemen waarmee de wereld ons
confronteert, en in het verwerven van dingen die we nodig hebben
voor ons afgescheiden bestaan. Maar hoe langer we dit spel proberen
te spelen, hoe meer het ons begint te dagen dat we gedoemd zijn
om te falen:
Niemand kan alle problemen oplossen die de wereld schijnbaar bevat. Ze
lijken op zo veel niveaus te zijn en zulke wisselende vormen aan
te nemen en met zo’n uiteenlopende inhoud voor te komen, dat ze
jou voor een onmogelijke situatie plaatsen. Wanhoop en depressiviteit
zijn onvermijdelijk wanneer je ze bekijkt. (WdI.79.5:1-3)
Wie van ons heeft
deze wanhoop niet gevoeld in het verwarrende web van problemen
waarmee we ons in deze waanzinnige wereld geconfronteerd zien?
We hopen ze op te lossen zodat we een beetje vrede en geluk kunnen
vinden, maar nogmaals, we willen het onmogelijke bereiken. Dit
is dermate deprimerend dat we hard werken om ons van het tegendeel
te overtuigen. We proberen het heft in eigen handen te nemen door
verschillende middelen en bekwaamheden te verwerven waarvan we
denken dat ze ons beter in staat zullen stellen om ‘het spel van
het leven te winnen.’ We graaien naar het ene ding na het andere
om ons heen - dingen die de Cursus ‘afgoden’ noemt - in de hoop
dat dit nieuwe ding het wél voor elkaar krijgt, ook al hebben
de laatste tienduizend dingen die we uitprobeerden gefaald. Maar
telkens stellen onze afgoden ons weer teleur: zoals de Cursus
zegt zullen wij ‘tranen storten elke keer dat een afgod valt’
(T29.VII.1:2). Alweer een afgod die ons niet het beloofde geluk heeft gegeven, en zodoende
snellen we verder op zoek naar een andere.
Uiteindelijk beginnen
we ons te realiseren dat niets in deze wereld ons het geluk
kan geven dat we zoeken. Er is werkelijk geen enkele manier om
dit spel te winnen. En terwijl deze bewustwording in wezen een
waardevol keerpunt kan zijn op onze weg naar God (zie T31.IV.4-6), erkent de Cursus ook dat het zien van de hopeloosheid in de wereld ons
in een zeer diepe put van depressie kan storten. Hij gaat zelfs
zover om te zeggen dat ‘mensen stierven toen ze dit zagen’
(T31.IV.3:4) - volgens mij een zinspeling op zelfdoding.
Overtuigd van de uitzichtloosheid om in de wereld geluk te vinden,
hebben sommigen gekozen voor de ultieme ontbering, de dood, hetgeen
een wrede ironie is aangezien de Cursus ons vertelt dat de dood
zelf ‘het ene idee is dat ten grondslag ligt
aan alle gevoelens die niet het opperste geluk zijn’ (WdI.167.2:4).
We worden depressief omdat we denken dat we geen
betekenisvolle functie te vervullen hebben.
Een van de grootste
oorzaken van depressiviteit is een gemis aan betekenis
in ons leven. Ik geloof dat we allemaal een diep verlangen hebben
om iets te betekenen, om dienstbaar te zijn en ons leven te wijden
aan een doel dat groter is en meer betekenis heeft dan louter
het vervullen van onze persoonlijke behoeften. Kortom, we verlangen
naar een betekenisvolle functie. Zonder een dergelijke
functie hebben we niets anders dan het deprimerende spel van de
jacht op afgoden dat we reeds in het voorgaande punt bespraken.
De Cursus zegt
duidelijk dat we niet gelukkig kunnen zijn tenzij we een betekenisvolle
functie vervullen. In de Hemel is scheppen onze functie, en wanneer
we ervoor kiezen ons met het ego te identificeren, wijzen we deze
functie af hetgeen tot depressiviteit leidt: ‘je bent verdrietig
omdat jij je functie als medeschepper met God niet vervult’
(T7.VI.13:1). Nu we (ogenschijnlijk) op aarde zijn, lijkt het alsof we geen andere
functie meer hebben dan het zoeken naar de ware, wat ons nóg verdrietiger
maakt en nog meer het gevoel geeft van nutteloosheid en alleenheid:
‘De eenzamen zijn zij die geen functie in de wereld zien die
ze kunnen vervullen; geen plaats waar ze nodig zijn, en geen doel
dat alleen zij volmaakt kunnen vervullen (T25.VI.3:6). Uiteindelijk is alleen aan jezelf denken ronduit onbevredigend,
we hebben iets meer nodig als we op aarde werkelijk geluk willen
vinden.
Als alleen aan
jezelf denken zo’n onbevredigend gevoel geeft, welke functie zou
ons dan in deze wereld geluk kunnen brengen? De meeste Coursestudenten
zullen volgens mij misschien wel het antwoord raden, maar ik wil
dat voor mijn volgende punt bewaren. We zijn aan het einde gekomen
van onze sombere tocht door de oorzaken van depressie en richten
ons op de middelen van de Cursus, om het gevoel van ontbering
te helen dat de kern van elk verdriet vormt.
Depressiviteit wordt geheeld als we ervoor kiezen
het ego op te geven en te luisteren naar de Heilige Geest, Die
ons eraan herinnert dat ons gevoel van beroofd zijn alleen maar
komt door onze eigen beslissing onszelf te beroven. De
Heilige Geest maakt ons bewust dat we reeds alles bezitten dat
we voor ons geluk nodig hebben.
Als de keuze om
ons met het ego te identificeren ons een gevoel van misdeeld zijn
geeft en ons dus depressief maakt, dan is de voor de hand liggende
remedie voor depressiviteit om op te houden ons met het
ego te identificeren. Maar natuurlijk kunnen we dit niet zonder
hulp en moeten we ons tot de Heilige Geest richten Die voor ons
ware Zelf spreekt. En een van de meest cruciale lessen die de
Heilige Geest ons onderwijst is de werkelijke reden van onze schijnbare
ontbering. Zoals ik al eerder zei geloven we dat misdeeld zijn
betekent dat ons iets afgenomen is, door iemand of iets dat wij
niet onder controle hebben. Maar de Heilige Geest onderwijst dat
dit niets anders is dan een illusie. De waarheid is dat, hoezeer
het ons ook anders toeschijnt, wij het waren die het al die tijd
al voor het zeggen hadden:
‘Alleen jij kunt jezelf van iets beroven. Verzet je niet tegen
dit inzicht, want daarmee begint werkelijk het dagen van het licht.
Bedenk ook dat de ontkenning van dit simpele feit vele vormen
aanneemt, en deze moet je leren herkennen en zonder uitzondering
vastberaden weerstaan’. (T11.IV.4:1-3)
Dit is een extreem
onderwijs dat ons gevoel van ontbering volledig onderuit haalt.
Het is duidelijk geen besef dat we van de ene op de andere dag
verworven hebben, maar het is net zo duidelijk dat de Cursus werkelijk
wil dat we het met toewijding oefenen. De auteur van de Cursus
wil onmiskenbaar dat we leren dat wij zelf onze schijnbare ontbering
veroorzaakt hebben, en zo hebben wij zelf ‘de god van depressie
gemaakt’ (T10.V.4:2). Hoe moeilijk
het in eerste instantie ook is om dit voor waar aan te nemen,
uiteindelijk is het geweldig nieuws. Want als wij onze
ontberingen en depressies zelf veroorzaken, betekent dit dat we
ook de kracht hebben ze ongedaan te maken, of beter gezegd,
de Heilige Geest toe te staan ze voor ons ongedaan te maken.
Dit is precies
wat de Heilige Geest doet, telkens wanneer we Hem om hulp vragen.
En net zoals onze depressies vele specifieke vormen aannemen,
zo heeft de Heilige Geest voor al deze vormen een specifieke remedie.
Welke vorm onze depressiviteit ook aanneemt, Hij heelt die door
ons dat te geven wat we lijken te missen, en zodoende bewijst
Hij dat we het niet echt tekortkomen. Laten we eens kijken
hoe Hij dit doet met iedere specifieke oorzaak van depressiviteit
die we hierboven besproken hebben:
Hij heelt onze
eenzaamheid, ons gevoel van afscheiding van onze Hemelse familie
door ons eraan te herinneren dat we niet werkelijk in ballingschap
verkeren: ‘Je reist slechts in dromen, terwijl je veilig thuis
bent’ (T13.VII.17:7). Door het heilig ogenblik biedt
Hij ons de gelegenheid om onze schijnbare ballingschap even achter
ons te laten: ‘wees een ogenblik stil en ga naar huis.’ (Wdl.182). Door ons vergeving te onderwijzen maakt
hij ons duidelijk dat we voor altijd één zijn met onze Vader en
met al onze broeders: ‘Vergeving laat me weten dat geesten
met elkaar verbonden zijn’ (WdII.336).
Hij heelt ons
gevoel dat we onze onschuld verloren hebben door ons de gave
van vergeving aan te bieden. Dit bewijst dat geen enkele zonde
ooit gebeurd is (al onze schijnbare ‘zonden’ zijn slechts vergissingen)
en het demonstreert dat ‘jij jouw onschuld niet verloren hebt’
(Wdl.182.12:1-2).
Hij heelt onze
teleurstelling bij onze pogingen een onmogelijk doel te bereiken
door ons een haalbaar doel te geven. Hij doet dit door
het ego-leerplan van de afscheiding te vervangen door Zijn ‘leerplan
van vreugde’ (T8.VII.8:5): een onderwijsprogramma van vergeving
en wonderen, met het doel om te leren wie we in werkelijkheid
zijn. Het is niet alleen zo dat we het doel van Zijn leerplan
bereiken kunnen - het bereiken ervan is een absolute zekerheid.
Hij heelt de
verwarring die uit onze tegenstrijdige doelen voortkomt door
ons eraan te herinneren dat ‘vreugde een verenigd doel is’
(T8.VII.15:1). Hij verbindt onze geesten door
voorbij de doelen van het ego te kijken en ze door Zijn doel
te vervangen: vergeving, heling, verlossing en de vrede van God.
Hij heelt ons
gevoel van machteloosheid in het omgaan met de problemen van de
wereld door ons datgene te geven wat alle problemen oplost:
het wonder dat ons verlost van ons ‘onjuiste gevoel van isolement,
ontbering en gebrek’ (T1.I.42:1). Hij geeft ons Zijn perfecte leiding
die ons exact vertelt wat we moeten denken, zeggen en doen in
iedere situatie waarmee we ons geconfronteerd zien. ‘Onder
Zijn leiding zul je lichtvoetig over lichte paden reizen’
(T13.VII.13:4), vrij van de last om de problemen, die schijnbaar op ons drukken, zelf
te moeten oplossen. Het feit dat Hij de problemen van de wereld
zo gemakkelijk oplost, onderwijst ons ten slotte dat deze problemen
illusies zonder betekenis zijn en geen enkel effect hebben op
de vreugdevolle waarheid van wie we werkelijk zijn. Daarom hebben
ze geen macht ons van ons geluk te beroven.
Tot slot heelt
Hij ons geloof dat we geen waardevolle functie te vervullen
hebben door ons de meest betekenisvolle en vervullende functie
te geven die we op de aarde maar kunnen hebben. Deze functie is
- je raadt het al - vergeving, onze ‘functie als het licht
van de wereld’ (WdI.62). Hij traint ons om wonderdoeners te worden, verspreiders van vergeving
en verlossing voor onze broeders in nood. Hij geeft ons onze speciale
functie, de specifieke vorm waarmee we vergeving in de wereld
uitbreiden, een vorm die aangepast is aan onze speciale vermogens
en onze speciale behoeften (zie T25.VII.7:1-3 en WdI.154.2). Deze functie
vervullen zal ons niet alleen maar gelukkig maken, maar in werkelijkheid
is gelukkig zijn onze functie (zie WdI.64.4:2). Dit is het middel waardoor onze Hemelse
functie van scheppen uiteindelijk hersteld zal worden.
De Heilige Geest
heelt dus onze depressie door ons gevoel van ontbering te helen
dat aan de depressiviteit ten grondslag ligt. Hij herstelt al
datgene voor ons waar we onszelf van beroofd hebben. In het licht
van Zijn onderwijs wordt de gedachte ‘Ik wil dit, maar ik kan
het niet krijgen’ - de diepgewortelde gedachte achter alle vormen
van depressie - getransformeerd naar ‘Wat ik werkelijk
wil, kan ik krijgen’ tot uiteindelijk ‘Wat ik werkelijk
wil, heb ik al.’ Want uiteindelijk herstelt de Heilige
Geest in ons bewustzijn de vreugdevolle waarheid dat ‘God ons
alles gegeven heeft’ (T4.III.9:2). Hoe kunnen we van iets beroofd
zijn als we alles hebben? En wanneer we ons realiseren dat we
van niets beroofd kunnen zijn, hoe kunnen we dan depressief worden?
‘Wat kan meer vreugde geven dan te zien dat wij in niets misdeeld
zijn?’ (T15.XI.8:3).
Conclusie
Depressiviteit
is een universeel verschijnsel in deze wereld, hoe weinig dit
ook onderkend wordt. Zoals we zagen, is het niet beperkt tot hen
die door de wereld gediagnosticeerd worden als ‘klinisch depressief’.
Integendeel, depressie is de onvermijdelijke ervaring van wie
dan ook die zich met het ego identificeert, hetgeen praktisch
betekent: wij allemaal. Dit is het slechte nieuws. Maar het goede
nieuws is dat er hoop is. We hebben de kracht in ons om ermee
op te houden onszelf te beroven, en we hebben de Hulp die we nodig
hebben om het voor elkaar te krijgen. De Heilige Geest staat klaar
om de vreugde terug te geven die we in onszelf ontkend hebben,
en Hij wacht slechts op onze uitnodiging. Laten we Hem daadwerkelijk
uitnodigen en Hem toestaan onze depressiviteit weg te schijnen
met het vreugdevolle licht van de waarheid. Dit zal misschien
niet onmiddellijk gebeuren; ons verdriet gaat nogal diep, en het
loslaten ervan zal voor de meesten van ons wellicht een langer
proces zijn. Maar de Cursus belooft dat, ongeacht hoe lang het
gaat duren, de dag beslist zal aanbreken dat het licht van de
waarheid ons verdriet zal wegschijnen. Het doet er niet toe hoe
donker de dingen soms lijken, ‘Een gelukkige afloop voor alles
staat vast’ (WdII.292).
|