|
|
Onze angst voor God
door Christien Snelders
‘Hoezo
angst voor God? Ik ben helemaal niet bang voor God. Ik voel geen
angst voor Hem. Ik verlang juist heel intens naar mijn eenheid
met God. Waar heb je het over?’
Dit is wat ik regelmatig te horen krijg. Ook ikzelf heb jarenlang
gedacht dat mijn verlangen naar God groter was dan mijn angst
voor God. Ja, ik wist wel dat er angst was vanuit mijn vroegere
ervaringen, vanuit mijn christelijke opvoeding, maar die was zo
minimaal, en door mijn werk met ‘Een Cursus in Wonderen’ dacht
ik die snel te overwinnen. Maar door de jaren heen heb ik ontdekt
dat het helemaal niet zo eenvoudig is als ik dacht. De angst voor
God zit dieper dan we denken. Het is de meest verborgen angst
die we hebben. Het is de uiteindelijke angst, die onder alle angsten
zit die zich aan de oppervlakte voordoen. In ‘De blokkades voor
vrede’ (T19.IV) beschrijft Jezus dat de angst voor God de donkerste sluier is voor het
gezicht van Christus en dat wij deze laatste blokkade dienen te
overwinnen om ons God weer te kunnen herinneren. Deze schijnbare
blokkade is voor ons als een massief blok dat ondoordringbaar
en onoverwinnelijk is, maar in werkelijkheid betekent het niets.
Dat wij ons meestal niet bewust zijn van onze angst voor God komt
doordat wij deze angst niet herkennen. Laten we daarom
eens kijken wat de Cursus erover zegt. Want wanneer we dit leren
begrijpen, kunnen we onze angst voor God opgeven en Zijn Liefde
binnen laten komen.
De traditionele denkwijze over angst
voor God
De
Cursus haalt een aantal diepgewortelde ideeën over de angst voor
God aan die we al eeuwen koesteren en die daardoor onnodig veel
leed in de wereld hebben gebracht en dat nog steeds brengen. We
kennen vast wel het verhaal uit de Bijbel van Adam en Eva die
door een boze God uit het Paradijs werden verjaagd. Dit drukt
het beeld uit van een geloof dat we iets verkeerd hebben gedaan
en dat God ons hiervoor zal straffen. De straf die God via Adam
en Eva voor ons in petto heeft is dat wij gedoemd zijn om hard
te moeten werken voor ons brood en dat kinderen in barenspijn
geboren zullen worden. De engel met het vlammende zwaard staat
aan de ingang van het paradijs om te zorgen dat we er niet meer
in kunnen. Jaren geleden heb ik deze scène in een toneelstuk gezien
en ik kan me nog heel goed herinneren hoe dat destijds een angstige
indruk op mij gemaakt heeft. De Cursus noemt dit geloof een ‘vergissing’.
Hij zegt hierover:
‘Dit
soort vergissing [het geloof dat God een offer vraagt als vergelding]
is verantwoordelijk voor een massa aanverwante vergissingen, waaronder
het geloof dat God Adam verstoten heeft en hem uit de Hof van
Eden heeft verdreven’ (T3.I.3:9).
Een
idee dat ook veel angst teweeg heeft gebracht en dat nog steeds
doet is de gedachte van het Laatste Oordeel. Volgens de Cursus
is het Laatste Oordeel het meest beangstigende idee in ons denken
(T2.VIII.2:1). Wie kent niet de schilderingen van Michelangelo
in de Sixtijnse kapel waarin hij het Laatste Oordeel uitbeeldt
in het beoordelen van goede en slechte mensen. We denken misschien
dat wanneer we sterven, wij voor God komen te staan, zittend op
Zijn troon, en Hij over ons oordeelt of we in de Hemel mogen komen
of verdoemd worden tot de hel. Deze ideeën over God moeten Hem
wel als een boeman afschilderen. De Cursus verwerpt dergelijke
ideeën steevast en reikt ons een Eindoordeel van God aan dat getuigt
van pure liefde: ‘Jij bent nog altijd Mijn heilige Zoon, voor
immer onschuldig, eeuwig liefdevol en eeuwig geliefd, even onbegrensd
als jouw Schepper, totaal onveranderlijk en voor altijd zuiver.
Ontwaak daarom en keer terug tot Mij. Ik ben jouw Vader en jij
bent Mijn Zoon’ (WdII.10.5:1-3).
Een
van de meest verbreide Bijbelse vergissingen is wel het idee over
de kruisiging van Jezus. We geloven ten stelligste dat Jezus voor
onze zonden gestorven is. Wanneer we de kruisiging vanuit dit
standpunt bekijken, lijkt het inderdaad alsof God toeliet dat
een van Zijn kinderen die goed was, moest lijden voor al de slechteriken
die wij zijn (T3.I.1:5). De Cursus zegt hierover: ‘Deze bijzonder ongelukkige interpretatie,
die uit projectie voortkwam, heeft ertoe geleid dat veel mensen
een bittere angst voor God hebben.’…’Ik [Jezus] werd niet ‘gestraft’
omdat jij slecht was’ (T3.I.1:6,2:10). Ook de apostelen
hadden de kruisiging verkeerd begrepen omdat zij angstig werden
en geloofden dat het een vergelding van God was: ‘…vanuit hun
eigen angst spraken ze van ‘de toorn Gods’… (T6.I.14:3). Maar God straft niet,
echter diep verborgen in onze geest geloven wij van wel.
Is
het niet zo dat wij er ook van overtuigd zijn dat God ons straft
met ziekte, lijden en dood, omdat we ‘slechte’ dingen doen in
de wereld? Wanneer er een ramp gebeurt klinken er vaak geluiden
als: ‘Dit is de vloek van God’ of ‘God straft voor onze slechtheid.
Hoe kan Hij toelaten, dat onschuldigen dit overkomt’? We geloven
zelfs dat de duivel werkzaam is in de wereld in opdracht van God:
‘[God] komt de wraak toe. Zijn grote vernietiger is de dood.
En ziekte, lijden en pijnlijk verlies worden het lot van iedereen
op aarde, die Hij overlaat aan de zorg van de duivel,
zwerend dat Hij haar [de wereld] nooit meer verlossen zal
(LvG.3.IV.5:6-8). Dit is wat zich hardnekkig en diep verborgen in ons denken genesteld heeft.
Soms
vragen we ons wel eens af wat we hier in de wereld doen, waarom
we hier zijn. Door opmerkingen als: ‘Ik heb er niet om gevraagd
om geboren te worden’ (meestal naar aanleiding van iets wat we
niet leuk vinden), lijkt het alsof God ons op de wereld heeft
gezet en wij niet weten welke bedoeling Hij met ons heeft. Hij
doet daar schijnbaar heel geheimzinnig over. Het lijkt alsof we
hier op aarde neergezet zijn zonder enige houvast en maar moeten
uitzoeken hoe we met allerlei zaken behoren om te gaan. We geloven
zelfs dat we hier zijn om door lijden te leren. Maar de Cursus
zegt hierover: ‘Het is niet nodig door pijn te leren’ (T21.I.3:1). En wederom vergissen
wij ons zoals de Cursus ons vertelt: ‘God heeft geen geheimen.
Hij leidt je niet door een wereld van ellende, om pas op het eind
van de reis te vertellen waarom Hij je dit heeft aangedaan’ (T22.I.3:10-11).
Uiteindelijk
geloven we met zeer grote vasthoudendheid dat de dood het ultieme
einde betekent van ons leven en dat God ons dit aandoet. We zien
immers dat niets in de wereld eeuwig leven heeft. Alles zal eens
de dood moeten smaken. Dit getuigt van een liefdeloze God die
hiermee te kennen geeft niet van ons te houden. Denken wij niet
vaak als we naar de wereld kijken met al haar ellende: ‘Als er
een God bestaat waarom laat Hij deze ellende dan toe? Alles lijdt
en sterft hier, het is niet eerlijk.’ De Cursus zegt: ‘Volgens
deze waarneming van het universum zoals God dat geschapen heeft,
zou het onmogelijk zijn Hem voor liefdevol te houden. Want wie
bevolen heeft dat alles vergaat, en in stof, teleurstelling en
wanhoop eindigt, kan alleen maar worden gevreesd. Hij houdt je
kleine leventje aan een zijden draadje in zijn hand, gereed om
dat achteloos of zonder spijt, misschien vandaag nog, af te breken.
En zo hij al wacht, het einde staat evengoed vast. Wie zo’n god
liefheeft, weet niet wat liefde is … (HvL.
27.2:1-5).
Inmiddels weten we dat God deze wereld niet
geschapen heeft: ‘De wereld die jij ziet is een illusie van
een wereld. God heeft die niet geschapen … (VvT.4.1-2), en dat leidt tot de conclusie dat de dood dus ook niet van God afkomstig
kan zijn. Maar wij denken van wel.
Waar komen deze ideeën dan vandaan?
Als
we deze angstbeelden in ogenschouw nemen en we geloven dat ze
werkelijkheid bezitten, is het terecht dat we bang zijn voor God.
We weten inmiddels vanuit het standpunt van de Cursus dat deze
ideeën niet van God afkomstig zijn: ‘Zulke antireligieuze concepten
sluipen in veel religies binnen. Kun jij geloven dat onze
Vader werkelijk zo denkt? Het is zo essentieel dat al dit soort
denken wordt uitgebannen, dat we er zeker van moeten zijn dat
niets van dien aard in jouw geest achterblijft’ (T3.I.1:7,2:8-9). Inmiddels moet toch de vraag opgekomen zijn
waar deze beelden dan wél vandaan komen. Want als God ze niet
bedacht heeft - wie dan wél? Hier komen we bij een gedachte die
de meesten van ons wel zullen herkennen, namelijk: ‘deze ideeën
zijn ons opgedrongen door de Kerk. Al die Kerkvaders leggen ons
wetten op en hebben ervoor gezorgd dat wij bang zijn geworden
voor God. Wij hebben daar geen aandeel in, het is ons aangedaan.
Het ligt aan de opvoeding die we thuis en op school hebben gehad.
Eindelijk kunnen we zelf uitmaken wat we wel en wat we niet willen
geloven.’ Je voelt al wel, denk ik, dat dit vanuit de Cursus niet
klopt. Het waren niet de Kerkvaders die ons een angstige God onderwezen,
het is net andersom, het was onze onbewuste verborgen angst die
de Kerk en al haar ideeën voortbracht.
Omdat
we naast ons individuele denken ook collectieve gedachten hebben
- we zijn het er allemaal over eens dat een boom een boom is en
geen grassprietje – zo hebben we ook een onbewuste collectieve
angst voor God. Deze onbewuste angst projecteren wij op de geesten
van de Kerkvaders, zodat we kunnen zeggen dat de oorzaak van onze
angst buiten ons ligt. We kunnen dan zeggen dat het met
ons niets te maken heeft. Maar we zijn vergeten dat zij enkel
getuigen van onze eigen keuze: ‘Daarom is het aan jou
te kiezen of onze broeders het ego of de Heilige Geest in jou
steunen’ (T15.II.4:5).
De
angst voor God die uit de gedachte van afscheiding is voortgekomen,
is zo beangstigend dat we hem helemaal verdrongen hebben. We zijn
ons er niet meer van bewust, wat niet wil zeggen dat de angst
er niet meer is. Want deze angst dringt zich voortdurend aan ons
op, ook al zijn we ons er niet van bewust en doet zich daarom
gelden in allerlei vormen waarvan we misschien denken dat het
niets met God te maken heeft. Zo beschrijft Jezus hoe de martelaar
uit liefde voor God offers brengt en gelooft dat God hem kruisigt
en hoe de atheïst niet in God gelooft en zich door Hem verlaten
voelt (T9.I.8). Wanneer we denken dat er een offer van ons
gevraagd wordt of we ons eenzaam voelen, dan identificeren we
ons met de martelaar of atheïst. En dit doet zich de hele dag
voor in allerlei grote en kleine dagelijkse dingen. Onder iedere
angst, hoe klein ook, zit angst voor God. We denken misschien
dat wanneer we heel veel met God bezig zijn, bijvoorbeeld in gebed
of meditatie, of al jaren de Cursus doen, we dan geen angst meer
voor God hebben. Maar ook dan lijkt Hij vaak ver weg of onbereikbaar.
Zoals ‘Lied van Gebed’ zegt: ‘Een vaag en doorgaans onbestendig
gevoel van identificatie is meestal bereikt, maar wordt dikwijls
vertroebeld door een diepgeworteld gevoel van zonde’ (LvG.1.II.3:3). Nu komen we tot het punt waarom we bang zijn
voor God. Want of we nu wél of níet in God geloven, de angst voor
Hem drijft ons altijd, omdat we ons, diep verborgen in onze geest,
zondig voelen. We denken dat God ons als slechte wezens
ziet en proberen ons voor Hem te verbergen. De hele wereld die
we zien komt daaruit voort. Mocht je denken dat je geen angst
voor God hebt, dan vraagt de Cursus dringend hier eens over na
te denken of dat wel klopt. Want wat niet als de totale eenheid
met God wordt ervaren is angst voor God, en in emoties
als verdriet, eenzaamheid, woede, depressie, zelfs een lichte
irritatie, trekken we ons terug van God en Zijn Liefde. En zo
lijkt Hij vaak ver van ons weg te zijn.
Maar
onze angst voor God gaat nog verder. Ze is zelfs verborgen in
ons idee over de Heilige Geest. Omdat wij in zonde geloven durven
we niet op de rechtvaardigheid van de Heilige Geest te vertrouwen.
We zijn bang van Hem omdat we denken dat Hij door God gezonden
is om ons te straffen. ‘En dus vrezen ze de Heilige Geest,
en zien ze de ‘toorn’ van God in Hem. Ook kunnen ze er niet op
vertrouwen dat Hij hen niet zal doodslaan met bliksemschichten,
die door Gods eigen Hand aan de vuren van de Hemel zijn ontrukt
(T25.VIII.6:3-4). Zijn we ons er wel van bewust dat we een intense angst voor de Heilige
Geest hebben? Ik was dat zeker niet. Maar als we bang zijn voor
God, moet het wel zo zijn
dat we ook bang zijn voor de Heilige Geest. Hij is immers door
God geschapen. Het is zelfs zo dat we denken dat de Heilige Geest
net als God de duivel is: ‘En vluchten ze weg voor de Heilige
Geest alsof Hij een boodschapper was van de hel, van hogerhand
gezonden, verraderlijk en vals, om vermomd als bevrijder en vriend
de wrake Gods op hen uit te oefenen. Wat zou Hij voor hen anders
kunnen zijn dan een duivel, ter misleiding gehuld in een engelengewaad?’
(T25.VIII.7:2-3)
Hoe
kunnen we herkennen dat we bang zijn voor God? Zoals ik al eerder
zei, zit onder alle angst de angst voor God, omdat wij denken
dat we Zijn plaats hebben ingenomen: ‘Alle angst is uiteindelijk
te herleiden tot het fundamentele waanbeeld dat jij het vermogen
hebt je de macht van God toe te eigenen’ (T2.I.4:1). Dit kunnen we helemaal niet, maar we denken van wel. Daarom weten we niet meer wie of wat we zijn en zijn
we bang voor onszelf, wat hetzelfde is als bang voor God. ‘Wat
angst voor God lijkt is in wezen angst voor je eigen werkelijkheid’
(T9.I.2:2).
Om
de angst voor God in jezelf te leren voelen en herkennen zou je
de volgende oefening eens kunnen doen: Schrijf eens op waar je
allemaal bang voor bent, b.v. ‘ik ben bang voor spinnen’ of ‘ik
ben bang dat de ander mij niet aardig vindt’ en zet er steeds
achter: ‘dit is angst voor God.’
Waarom zijn we zo bang voor God?
We
weten inmiddels als Coursestudenten dat we bang zijn voor God
omdat we ons zondig voelen. We denken iets verkeerd gedaan te
hebben, voelen ons daar schuldig over en vrezen straf. Zo hoorde
ik laatst een verhaal over een jonge vrouw die getrouwd was met
een man waar ze dol op was, en ze hadden samen een dochtertje
van één jaar. Deze vrouw leefde in voortdurende angst dat haar
man of haar dochtertje iets vreselijks zou overkomen. Onder haar
angst zat een diepgeworteld schuldgevoel naar haar ouders toe,
omdat ze als kind niet makkelijk was en de ouders haar opvoeding
moeilijk hadden gevonden. Haar schuldgevoel kwam voort uit het
idee dat ze als kind slecht was geweest en nu geen geluk verdiende.
Ze dacht steeds dat ze gestraft zou worden en het niet waard was
om gelukkig te mogen zijn. Dit lijkt op ons eigen verhaal zoals
het in de Cursus beschreven wordt: wij denken God verlaten te
hebben en daardoor iets verkeerds te hebben gedaan en voelen ons
daar schuldig over, we vinden onszelf zondig en verdienen daarom
straf en geen geluk. We zijn bang dat God daarom wraak zal nemen.
Dus
het geloof dat we zondige wezens zijn brengt ons al deze ellende.
Het volgende citaat beschrijft dit zeer verhelderend: ‘Als
zonde werkelijk is, dan is straf gerechtvaardigd en onontkoombaar.
Verlossing kan zodoende niet anders dan door lijden worden verworven.
Als zonde werkelijk is, dan moet geluk wel illusie zijn, want
ze kunnen niet beide waar zijn. Zij die zondig zijn staan alleen
borg voor dood en pijn, en dat is waarom ze vragen. Want ze weten
dat dit op hen wacht en hen opsporen en vinden zal, ergens, ooit,
in enige vorm die de rekening vereffent die ze God schuldig zijn.
In hun angst willen ze aan Hem ontsnappen. En toch achtervolgt
Hij hen en ontsnappen kunnen ze niet.’ (WdI.101.2)
We
denken dat we van onze ‘zonden’ verlost zullen zijn als we ervoor
betaald hebben met lijden en dood. Dit is een niveau van bewustzijn
dat in ieder van ons leeft, maar dat diep verborgen en onbewust
is. Dit is waarom het spirituele pad vaak zo moeizaam verloopt.
Waarom zouden we zoveel moeite doen als ons vernietiging te wachten
staat? Zolang wij geloven in zonde, zolang zullen we onze weg
naar God zwaar en lang vinden. Ook al doen we nog zo ons best,
door meditatie en oefening, we voelen ons vaak teleurgesteld.
Hierdoor denken we dat het spirituele pad moeilijk is. Maar God
lijkt ver weg van ons omdat we Hem wegduwen! Ik geloof dat, al
mediteren we nog zoveel, als we onze angst voor God niet bewust
worden, we onze verlossing steeds zullen uitstellen.
Wat is de werkelijke reden van onze
angst voor God?
Als
we eerst dachten niet bang te zijn voor God en we langzaam aan
bewust worden dat onze angst voor God wel degelijk in onze geest
raast, kunnen we nu een stapje verder gaan. Want om tot de werkelijke
reden van onze angst voor God door te dringen moeten we nog een
niveau dieper in onze geest kijken. Het klinkt misschien vreemd
na het voorgaande dat Gods wraak niet onze grootste angst is.
Maar onder deze angst zit namelijk een angst die onze ego’s doet
sidderen zoals de Cursus zegt: ‘Luidkeels maant het ego jou
niet naar binnen te kijken, want als je dat doet zullen je ogen
op zonde stuiten, en zal God jou met blindheid slaan. Dit is wat
jij gelooft, en dus kijk je niet. Maar dit is niet de verborgen
angst van het ego, noch die van jou die daar dienstbaar aan is.
Luidkeels, inderdaad, verkondigt het ego dat het dit wel is; te
luid en te vaak. Want onder dit constante geschreeuw en die uitzinnige
bewering is het ego er niet zo zeker van dat dit wel zo is. Achter
jouw angst om vanwege de zonde naar binnen te kijken, is nog een
andere angst, en wel een die het ego doet sidderen en beven’.
(T21.IV.2:3-8)
Wat
kan er nog meer te vrezen zijn dan de woede en de wraak van God?
Het is misschien wel de meest vreemde angst die we onszelf hebben
opgelegd, namelijk de angst voor Gods Liefde. We zijn vreselijk
bang voor Zijn Liefde. Voor ons is de Liefde van God zo afschrikwekkend
geworden doordat de angst overheerst en wij Zijn Liefde met hel
en verdoemenis verwarren: ‘Toch moeten de aanbidders van de
angst hun eigen verwarring waarnemen in de ‘vijand’ van de angst,
en de wreedheid ervan nu als deel van de liefde zien. En wat wordt
dan angstwekkender dan het Hart van de Liefde Zelf? Het bloed
schijnt op Zijn lippen te staan, het vuur slaat Hem uit. En Hij
is vreselijk zonder weerga, onvoorstelbaar wreed, en slaat allen
neer die Hem als hun God erkennen (WdI.170.10:3-6). Dus de reden dat het ego ons vertelt dat
we niet naar binnen moeten kijken is omdat we bang moeten zijn
voor Gods Liefde – zodat het zich zelf in stand kan houden. Het
ego vertelt ons dat als we naar binnen kijken, dit onze dood betekent.
Want als we wél naar binnen kijken en we zien dat er enkel liefde
is, dan zou het ego oplossen. Immers in Gods Liefde verdwijnt
alle afgescheidenheid, en het ego is het symbool voor afscheiding.
Het ego vertelt ons dat wij in Gods Liefde onze ‘identiteit’ zullen
verliezen, maar in Gods Liefde ligt juist onze werkelijke Identiteit.
Het
ego zal deze ontdekking tot iedere prijs proberen te voorkomen.
De manier waarop het ego dit doet is ons laten geloven dat God
wraakzuchtig is omdat wij Zijn troon hebben ingenomen. ‘Wie
zich de plaats van God toeeigent en die zelf inneemt, heeft nu
een dodelijke ‘vijand’. En hij staat in zijn bescherming noodgedwongen
alleen en moet voor zichzelf een schild maken om zich te beveiligen
tegen razernij die nooit bekoeld kan worden en wraak die nooit
kan worden verzadigd’ (HvL.17.5:8-9). Zie maar eens hoe het er in de wereld aan toe gaat. God is de oorzaak
van al deze vreselijke dingen en dit is Zijn manier om ons te
straffen. Diep verborgen in onze geest voelen wij ons zelfs aangetrokken
tot deze straf om te zorgen dat we weg blijven van Gods Liefde.
Aan Zijn Liefde toegeven kost ons immers onze zelf gemaakte identiteit.
En die willen we behouden, al doet het nog zo’n pijn!
Maar
wat ís het ego? Is het een macht die ons in zijn greep heeft?
Zijn we aan het ego overgeleverd? Zijn we een ego? Nee, gelukkig
niet! Het is alleen maar een angstgedachte die niet eens bestaat.
Wij hebben deze gedachte zelf gemaakt. Dus hebben wij
de macht om er in te geloven of niet. En dat betekent dat al de
ideeën van angst zoals eerder beschreven, ideeën zijn die wij
zelf bedenken. We kunnen er voor kiezen ze niet meer te willen,
maar we kunnen het niet zelf doen. Daar hebben wij onze Grote
Vriend, de Heilige Geest, voor nodig.
Vergeving laat onze angst voor God verdwijnen
Om
ervoor te zorgen dat het ego zich van zijn bestaan kan verzekeren,
leert het ons om onze broeders te veroordelen, waardoor wij ons
dan nog schuldiger voelen, en schuld is waar het ego van ‘leeft’.
Willen we uit deze vicieuze cirkel komen en de angst voor God
opgeven, dan zal vergeving de weg zijn. Het opheffen van de laatste
blokkade, de angst voor God, is het oplichten van de sluier van
schuld die wij op alles en iedereen gelegd hebben. Je kunt alleen
maar bang zijn voor God als je je broeders buitensluit. Dus onze
broeders als onze gelijken accepteren is dé voorwaarde om naar
de angst voor God te kunnen kijken en er doorheen te gaan. Jezus
doet hiervoor een beroep op ons: ‘En niemand zou [naar de angst
voor God] durven kijken zonder totale verge
ving
voor zijn broeder in zijn hart’, en hij vraagt ons, terwijl
wij naar de angst voor God kijken: ‘Blijf hier even staan,
en beef niet. Je bent er klaar voor. Laten we ons in een heilig
ogenblik met elkaar verbinden … in het vertrouwen dat Hij
die ons hier samen heeft gebracht, jou de onschuld zal schenken
die je nodig hebt, en dat jij die omwille van mijn liefde en de
Zijne accepteren zult’ (T19.IV.D.9:3-7). Vergeet niet dat het een proces is waar we doorheen gaan. We gaan geleidelijk
deze weg. Want de angst voor God opgeven betekent de wereld opgeven:
‘Je kunt niet naar de wereld kijken en God kennen’ (T8.VI.2:2), en dat vergt tijd. Ook al is tijd zelf een illusie, we hebben de tijd
nodig om naar God terug te keren. Maar het bewust worden
van onze angst voor de liefde, voor vrede, vreugde en blijheid
oftewel voor God, gaat eraan vooraf. God wil enkel onze Vriend
zijn: ‘God is jouw vijand niet. Hij vraagt slechts dat Hij
hoort dat jij Hem ‘Vriend’ noemt, meer niet’ (T30.II.1:11-12). Want zolang de angst voor God verborgen blijft,
blijft de Hemelpoort in onze harten gesloten.
WIL
JE DIT ARTIKEL UITPRINTEN?
Selecteer dan het tekstgedeelte van boven naar beneden door
de linkermuisknop ingedrukt te houden;
klik met rechts > copiëren; open een nieuw Word-document
en plak het erin. Voilà!
De
artikelen werden vertaald met vriendelijke toestemming van
'The Circle of Atonement'.
De citaten werden uit het Engels vertaald vanuit 'A Course
in Miracles', Foundation for Inner Peace, 1992.
Op
de artikelen van 'the Circle of Atonement' en van 'het wonder'
rust copyright.
|
|
|