Lieve God, ik hou van Jou

 

door Christian Salamon

 

 

Geachte lezer, in dit artikel wil ik uw relatie met God nader onderzoeken. In het bijzonder wil ik nagaan of er aanwijzingen in de Cursus te vinden zijn hoe u uw Vader wel of niet aan kunt spreken. Noch ikzelf, noch mijn partner en spirituele reisgenoot Christien spreken God met ‘U’ aan en staan verbaasd hoe verankerd het voor de meeste mensen blijft om God zo te benoemen. De vraag die zich dan ook onmiddellijk aan me opdringt is hoe Jezus er over denkt, welke relatie met God de Cursus wil dat u opbouwt.

Zoals u wellicht weet wil de Cursus de afscheiding ongedaan maken. Afscheiding van wie? Van God, en in het verlengde daarvan afgescheidenheid van onze broeders.

En om deze afstand ongedaan te maken wil hij u ook een taal aanreiken, waarin u steeds meer verbondenheid ervaart. Waar u geen verre en verheven God beleeft maar een dierbare Vriend, Die de hele tijd aan uw zijde loopt en Die u deelgenoot maakt van uw meest alledaagse worstelingen. 

En wat vindt u – waarde lezer - nou van de relatie tussen u en mij, de auteur? Ervaart u beleefde afstand, een veilige kloof, een volwassen houding waarin u mijn betoog kritisch op afstand kunt bekijken? Of ervaart u – dankzij een beetje inkt die op een bepaalde manier op het papier geplaatst wordt – toenadering en gelijkheid? Dat alles zit namelijk in het woordje ‘u’ besloten. Zal ik daarom niet een stapje dichterbij komen, tot jou, mijn broeder, om je mijn ideeën voor te leggen? Ik wil jou namelijk helpen een intiemere relatie met God op te bouwen.

 

Allereerst is er vanuit Jezus’ Engelse origineel qua vorm geen enkele aanwijzing hoe God aan te spreken behalve met hoofdletter: ‘You’. Op sommige momenten echter vervalt Jezus in zeer ouderwetse bijbeltaal (‘Thy’ zoals in T18.V.4:3, T24.III.5:8 en T31.VIII.12:6, vergelijkbaar met het ouderwetse ‘Gij’). Voor de rest moeten we constateren dat we zo vrij zijn als vogels in de lucht hoe we God zullen aanspreken.

De vraag ligt dus helemaal open: hoe zullen wij God aanspreken? Om deze vraag te beantwoorden zijn mijns inziens de volgende dingen eerder hinderlijk dan helpend, namelijk: tradities, gewoontes, standaardvertalingen en … onze eigen opvatting! Laten we ze één voor één bekijken:

 

Tradities: We weten intussen dat Jezus wars was van tradities. Dit blijkt uit z’n eigen aards verblijf, waarbij hij talloze sociale wetten doorbrak omdat ze de menselijkheid in de weg stonden.

 

Gewoontes: De Cursus wil juist dat we ons nieuwe gewoontes aanleren, d.w.z. de oude opgeven zoals b.v. het niet communiceren met onze Schepper (T14.III.18:1). Het hele Werkboek is bedoeld om oude gewoontes los te laten. ‘Een vaste routine is als zodanig gevaarlijk ...’ (H16.2:5) 

 

Standaardvertalingen: Het feit dat iets op een bepaalde manier geschreven staat of vertaald is zegt iets over de auteur/vertaler. Geen enkele uiterlijke bron op de Heilige Geest na behoort gezag te hebben over mijn denken en mijn keuzes. In die zin is de tegenwoordige Nederlandse vertaling van ‘A Course in Miracles’ ook niet meer dan een voorstel aan ons, een suggestie. En we worden in deze vertaling uitgenodigd om ‘U’ te blijven zeggen, waarmee ze spoort met de kerkelijke traditie en de ingesleten gewoonte van velen van ons (zie vorige 2 punten).

 

Mijn eigen opvatting: ‘Deze cursus te leren vereist dat je iedere waarde die jij erop nahoudt in twijfel trekt.’ (T24.inl.2:1) Dus zelfs mijn eigen ideeën doen er niet toe, juist die wil de Heilige Geest transformeren.

 

Uitgangspunt voor mijn betoog is dat God, zoals Hij in de Cursus geschetst wordt, de volmaakte Vader en Schepper is (T24.III.6:1) Die de meest intieme relatie met ons heeft die maar mogelijk is. En deze relatie wil Hij ons leren herinneren. Alleen al in deel II van het werkboek worden we geacht om dagelijks, d.w.z. 136 dagen lang, elk uur met Hem te communiceren, in de wetenschap dat Hij ons hoort en antwoord zal geven (WdII.327.1:2). En vandaar uit wordt onze communicatie met God (d.m.v. de Heilige Geest) de rode draad in ons leven, als het ware de navelstreng die ons voor eeuwig met elkaar verbindt en ons levenskracht geeft. We zijn 24 uur per dag ‘on-line’! Als leraar van God worden we dan ook – na voltooiing van het Werkboek – gevraagd, dagelijks met Hem onze dag te beginnen en af te sluiten (H16.4:4:3, 5:1), en ‘door oefening zul je mettertijd nooit ophouden aan Hem te denken en Zijn liefdevolle Stem te horen ...’ (WdI.153.18:1) En hoe nodig ik God al die talloze keren uit: ‘Vader, ik houd van U, spreekt U tot mij’ of ‘Vader, ik hou van Jou, spreek Jij tot mij’.

Om jouw keuze nog eens te overdenken wil ik je een reeks persoonlijke vragen stellen omtrent je relaties, want maakt God niet deel uit van je relaties?   

 

Zeg je u tegen je vader?

‘God is mijn Vader, en Hij houdt van Zijn Zoon’ (WdII.224), ‘God is mijn Vader, en Zijn Zoon houdt van Hem’ (WdII.225). Nog maar enkelen die ik ken zijn gewend om hun ouders met u aan te spreken. Het is meestal een teken van ouderwetse opvoeding die afstandelijkheid (respect?) uitdrukt en volgens mijn weten het gevoel van geborgenheid en innig contact weinig bevordert.

 

Zeg je u tegen je moeder?

‘Hij houdt van jou als een moeder van haar kind, haar enige, de enige die ze heeft, haar al-in-al, uitbreiding van haarzelf, evenzeer deel van haar als van haar eigen adem’ (The Gifts of God, p.126). Kun jij je voorstellen dat je dochtertje, nadat het verdwaald was, je in de armen vliegt en met een prop in de keel zegt: ‘Mama, ik heb u gemist!’

 

Zeg je u tegen je broers en zussen – zo je die hebt?

‘Hij houdt van jou zoals een broer het zijne liefheeft, geboren uit één vader, nog steeds één met hem, en met elkaar verbonden door een zegel dat niet breken kan’ (The Gifts of God, p.126). Wie heeft niet de behoefte om zijn genegenheid, zijn langdurige band met elkaar door een ‘jij’ te bevestigen? Een familieband (en dan nog de familie van God!) vertegenwoordigt voor de meesten van ons de grootst mogelijke nabijheid die we in dit leven kennen. En daaraan geven we uitdrukking door vertrouwensvol ‘jij’ tegen elkaar te zeggen.

 

Zeg je u tegen degene met wie je gaat trouwen?

‘Bij zijn schepping sprak zijn Vader: ‘Jij bent voor eeuwig door Mij geliefd, en Ik door jou. Wees even volmaakt als Ikzelf, want jij kunt nooit van Mij gescheiden zijn. Zijn Zoon herinnert zich niet dat hij geantwoord heeft: “Dat beloof ik [I will]”, hoewel hij met deze belofte geboren werd’ (T28.VI.6:4-6). Deze bijzonder ontroerende scheppingspassage waarin sprake is van een eeuwige belofte doet me sterk denken aan trouwen (met God: het mystieke huwelijk). En stel je vervolgens voor dat je op het altaar staat, elkaar diep in de ogen kijkt, een traantje wegpinkt en zegt: ‘Ja, met u wil ik trouwen’.

 

Zeg je u tegen je geliefde?

‘Hij houdt van jou als een minnaar [lover] die het zijne liefheeft, zijn uitverkoren ene, zijn vreugde, heel zijn leven, die ene die hij zoekt wanneer ze wegging en die hem vrede brengt bij haar terugkeer’ (The Gifts of God, p.126). Om Gods Liefde uit te drukken schieten alle woorden tekort, en hier wordt God zelfs vergeleken met een aardse ‘lover’. De Cursus gebruikt het beeld van de speciale liefdesrelatie om Gods zorg en verlangen uit te drukken. Wat zou je antwoorden als Hij zegt: ‘ [Vul je naam in] , mijn geliefde, Ik hou van jou’, en jij antwoord netjes en beleefd tegen je Geliefde: ‘En ik houd ook van U’.  --  Zeggen we soms: ‘Lieve schat, ik wil met u vrijen?’

 

Zeg je u tegen je vriend (-in)?

‘God is jouw vijand niet. Hij vraagt slechts dat Hij hoort dat jij Hem ‘Vriend’ noemt, meer niet’ (T30.II.1:11-12). Het ‘u’ is volgens mij juist een teken dat je géén vriendschap met iemand wenst, dat je géén vertrouwensrelatie met die persoon wilt. Ikzelf heb soms de neiging een ‘jij’ weer tot ‘u’ terug te draaien als ik emotioneel afstand wil nemen. Maar een vriend ‘u’ noemen? Onmogelijk! - En stel je verder voor dat er maar één Vriend was, tevens je beste Vriend, je enig mogelijke Vriend: ‘Want God heeft de enige relatie geschapen die betekenis heeft, en dat is Zijn relatie met jou’ (T15.VIII.6:6).

 

Zeg je u tegen een broeder?

‘... want je Vader wil dat jij je broeder kent als jezelf’ (T12.II.3:5), ‘Je Vader is jou even nabij als jouw broeder. Maar wat zou jou meer nabij kunnen zijn dan jouw Zelf?’ (T21.VI.10:5-6) Als ik me op een broeder richt en hem in de meditatie of tijdens een gesprek wil zegenen denk ik nooit: ‘Mevrouw Janssen, ik zegen u, want u bent een Zoon van God zoals ik’. Nee. Ik denk stilletjes: ‘Mevrouw Janssen, je bent mijn dierbare broeder, want je bent een kind van God zoals ik.’ In de openheid van de geest heeft het ‘u-wen’ volstrekt geen betekenis. Waarom dan naar God toe wel?

 

Zeg je u tegen je heilige-relatie-partner(s)?

‘De heilige relatie weerspiegelt de ware relatie die de Zoon van God in werkelijkheid met zijn Vader heeft’ (T20.VI.10:1). Al is voor menigeen de familiaire bloedsband hét toonbeeld van verbondenheid, dan wordt dat voor een Course-student/leraar op den duur z’n heilige relatie(s), broeders waarmee hij zich bewust verbindt in het ontwakingsproces in God, en waartoe hij tevens iedereen uitnodigt. En deze relaties in gelijkheid (T22.in.4:1-2), die we uiteindelijk met iedereen zullen hebben, weerspiegelen op aarde onze relatie met God. En zeg je ‘u’ tegen je reisgenoten, je dierbaarste vrienden op het pad, met wie jij je diepste spirituele leven deelt, je intiemste gevoelens?

  

Zeg je u tegen jezelf?

Deze vraag is natuurlijk enigszins retorisch, maar toch: als God deel van ons is, als we met Hem volstrekt samenvallen, wat heeft het dan nog voor zin om ‘U’ te zeggen alsof er iets anders is dan Wij? (Als we de eenheid hervonden hebben houdt natuurlijk elke bewuste afscheiding op, dus ook ‘ik-jij’) ‘… en nergens eindigt de Vader en begint de Zoon als iets afzonderlijk van Hem’.  (WdI.132.12:4) ‘Je identificatie vindt plaats [is] met de Vader én met de Zoon’ (T8.IV.8:6), ‘… jouw Zelf wiens Naam de Zijne is’ (WdI.1835:1), ‘[God] spreekt van nader dan je hart tot jou. Zijn Stem is dichterbij dan je hand. Zijn Liefde is alles wat jij bent en wat Hij is, hetzelfde als jij, en jij hetzelfde als Hij’ (WdI.126.7:2-4).

 

Samengevat: waarom zou ik tegen God ‘U’ zeggen als Hij mijn Vader is, mijn Moeder, mijn Broer, mijn Liefdesrelatie, mijn Partner, mijn Vriend, mijn heilige Relatie en zelfs mijn eigen Zelf – en dat alles in één. Waarom zou ik niet ook Hem opnemen in mijn allerintiemste banden en Hem het ‘Jij’ aanbieden waar Hij recht op heeft? Waarom, beste broeder, wil je nog ‘U’ blijven zeggen? Waarom hou je afstand?

 

Zelfs het feit dat God ons geschapen heeft en wij niet Hem betekent volgens Jezus geen onderscheid tussen ons en Hem: ‘De eerste in de tijd betekent niets, maar de Eerste in de eeuwigheid is God de Vader, die zowel Eerst als Een is. Buiten de Eerste is er geen ander, want er is geen rangorde, geen tweede of derde, en niets anders dan de Eerste. Jij, die tot de Eerste Oorzaak behoort ...’ (T14.IV.1:7-8;2:1). En mocht je denken dat God toch heel speciaal moet zijn – Hij is immers GOD! - wees verzekerd dat juist dat niet het geval is: ‘[God] is niet speciaal …’ (T24.III.10:4).

Naast het ontzag dat we ervaren (T1.II.3:3) hoor ik ook vaak dat de U-vorm gebruikt wordt als blijk van respect. Maar zie jij je eigen kind op een gegeven moment naar je toekomen en zeggen: ‘Pappa/mamma, ik ben eindelijk tot de ontdekking gekomen hoe zeer ik je liefheb. En om mijn respect te tonen heb ik besloten om vanaf nu ‘u’ tegen u te zeggen, als blijk van nog grotere liefde en waardering’?

Met dit artikel wil ik jou, beste reisgenoot op weg naar God, ervan bewust maken dat jij je verbondenheid met Hem nóg meer kunt ervaren door Hem persoonlijker aan te spreken. ‘Afscheiding wordt overwonnen door vereniging’ (T8.IV.5:4). Een klein woordje slechts: ‘Jij’, maar wel met een enorme diepte. Is het niet juist onze kinderlijke overgave aan God die van spirituele volwassenheid getuigt?  -  Ik heb de volgende passages in de Jij-vorm gegoten. Onderzoek eens wat het met je doet:

 

Wat kan ik anders zoeken, Vader, dan Jouw Liefde? (WdII.231.1:1)

Vader, vandaag kom ik tot Jou om de vrede te zoeken die Jij alleen kunt geven. (WdII.221.1:1)

Hoe dwaas zijn onze angsten! Zou Jij toestaan dat Je Zoon lijdt?
(WdII.240.2:1-2)

Vader, vandaag wil ik alleen Jouw Stem horen. In de diepste stilte wil ik tot Je komen om Jouw Stem te horen en Jouw Woord te ontvangen. Ik heb geen ander gebed dan dit: ik kom tot Jou om de waarheid te vragen. En de waarheid is niets anders dan Jouw Wil die ik vandaag met Je wil delen. (WdII.254.1)

Jij bent aan mijn zijde. Jouw weg is zeker. (WdII.298.2:2-4)  

Jouw armen zijn open en ik hoor Jouw Stem. (WdII.226.2:2)

 

Heb je het gevoel dat je God nu tekort hebt gedaan?

Heb je het gevoel dat je God nu niet met respect behandelt?

Heb je het gevoel dat God nu dichterbij komt – of zelfs té dichtbij soms? (zie T15.XI.1:3)

Heb je het gevoel dat het niveauverschil tussen God en jou wat verdwijnt?

 

Om opheldering te krijgen omtrent dit vraagstuk kun je het natuurlijk vooral aan God Zelf vragen – er is geen betere manier om antwoord te krijgen. Het gaat er immers om elk gevoel van afscheiding van onze Vader los te laten:

 

‘Vader, hoe wilt Gij dat Uw Zoon Jou noemt?’

 

 

WIL JE DIT ARTIKEL UITPRINTEN?
Selecteer dan het tekstgedeelte van boven naar beneden door de linkermuisknop ingedrukt te houden;
klik met rechts > copiëren; open een nieuw Word-document en plak het erin. Voilà!

De artikelen werden vertaald met vriendelijke toestemming van 'The Circle of Atonement'.
De citaten werden uit het Engels vertaald vanuit 'A Course in Miracles', Foundation for Inner Peace, 1992.
Op de artikelen van 'the Circle of Atonement' en van 'het wonder' rust copyright.