Gods ene ontelbare Zoon

 

door Christian Salamon

 

 

In het begin van mijn Course-studie stond voor mij vast dat de Eenheid uiteraard één was en slechts uit één Zoon bestond. Deze had zich echter schijnbaar afgescheiden om zich vervolgens in ontelbare delen op te splitsen zoals een gebarsten spiegel of het wortelstelsel van een boom. Deze zienswijze riep echter ook veel vragen bij me op:

‘Besta ik wel werkelijk, of ben ik alleen een minuscuul onderdeel van de illusie van afscheiding? Ben ik niet slechts een ego dat deel uitmaakt van een oerego of de collectieve gespleten geest die verantwoordelijk is voor de afscheiding? Hoe kan ik als Zoon bestaan als er toch slechts Eenheid is? Wie is de ‘jij’ tegen wie de Course praat? En hoe zit het met mijn broeders: zijn deze louter mijn eigen gedachteprojecties of bestaan ze echt?’

Deze warboel van ongerijmdheden viel echter op z’n plaats door een ‘toevallig’ gesprek met Robert Perry, enkele jaren geleden, die daar een voor mij zeer verhelderend licht op wierp. Deze inzichten wil ik graag delen.

 

 

Eén Zoon of vele Zonen?

Er moet vooral worden opgemerkt dat God slechts één Zoon heeft’ (T2.VII.6:1). Regelmatig kunnen we dit in de Course lezen, zodat we mogelijkerwijs uit het oog verliezen dat hij ook veelvuldig meervoudsvormen gebruikt. Hij praat 1 keer over wezens, 2 keer over (mede-) scheppers, 4 keer over broederschap, 47 keer over aspecten, 48 keer over delen, 50 keer over kinderen, 82 keer over Zonen, 104 keer over het Zoonschap, 118 keer over scheppingen, 206 keer over geesten [minds] en 207 keer over broeders, allemaal gelijke leden van de familie van God (3).

Dit zijn in totaal meer dan 850 (!) verwijzingen naar een veelheid omtrent Gods Zoon. Hoe is dat mogelijk? Is dit niet duidelijk in tegenspraak met de ene geschapen Zoon? Meent hij dit allebei tegelijk of is er slechts één van waar? Hoe dan ook word ik als Coursestudent uitgenodigd om er over na te denken en deze tegenstelling op te helderen. Binnen het boek zelf zou ik op deze paradox antwoord moeten kunnen vinden.

 

 

Oplossing 1

Jezus meent niet letterlijk wat hij zegt

 

Om aan dit dilemma te kunnen ontsnappen zou je kunnen veronderstellen dat Jezus al deze meervoudsvormen niet letterlijk bedoelt. Hij wil ons wellicht slechts op het niveau van afscheiding of dualiteit bereiken, daar waar we denken te zijn. Als ik zo te werk ga, heb ik de Course in wezen twee keer gelezen: de eerste keer met een open geest om te snappen wat er staat, en een tweede keer om te schrappen wat er staat: dit kan hij niet werkelijk menen. Hij zegt dat alleen de waarheid bestaat, en als de waarheid één Zoon is moet veelheid een illusie zijn. Er kunnen dus geen meerdere Zonen bestaan. Een meervoud is onmogelijk en alleen als metafoor bedoeld. Eenheid kan alleen eenheid scheppen.

Vanuit een dergelijke interpretatie wordt er een scheiding aangebracht tussen wat Jezus daadwerkelijk meent, zijn ‘echte’ boodschap, en wat hij niet meent oftewel slechts schrijft om ons niet al te bang te maken. Men brengt zelf in de Course een scheiding aan tussen zijn ware boodschap en zijn allegorieën die hij niet letterlijk bedoelt. De onderzoekende houding, de open geest is daarmee verdwenen. Men is opgehouden de Course overal even serieus te nemen, en het hele vraagstuk wordt volgens mij te snel afgedaan met  het idee dat Jezus slechts een taal zou gebruiken die wij in de illusie kunnen begrijpen (T25.I.7:4 en H23.7:1). Maar geldt dit niet voor het hele fenomeen taal, voor alle voorkomende woorden (dus ook ‘eenheid’), en überhaupt voor het schrijven van een tastbaar boek in hedendaags Engels?

 Als de meervoudsvorm slechts één enkele keer zou voorkomen zou je binnen de onmiddellijke context kunnen proberen haar te verklaren. Maar door meer dan 850 verwijzingen louter als beeldspraak te verwerpen plaats ik me torenhoog boven de auteur. Nergens zegt Jezus dat hij slechts de helft bedoelt van wat hij schrijft, in tegendeel zelfs: ‘Deze cursus bedoelt precies wat hij zegt’ (T8.IX.8:1), ‘…elk woord is betekenisvol …’ en ‘…tegenstellingen in mijn woorden betekenen gebrek aan begrip …’ (Absence from Felicity, p.234 en p.231). - Misschien hebben we een té simplistisch beeld van de eenheid, die naar zijn eigen zeggen ‘voor eeuwig noodzakelijkerwijs voorbij alle woorden ligt.’ (T18.IX.11:2, cursief van mij)

 

 

Oplossing 2

Hij meent het: in de eenheid is er sprake van veelheid

 

Naar mijn idee is het antwoord veel eenvoudiger. Jezus heeft namelijk beduidend minder problemen met paradoxen dan wijzelf met onze beperkte menselijke logica. Om maar enkele te noemen: de reis zonder afstand, de Heilige Geest die kent én waarneemt, het éne ogenblik dat alle ogenblikken is, één broeder die alle broeders is. Het vraagstuk omtrent de ene Zoon is er volgens mij een van: veelheid ín de eenheid.

Ik wil nu het inleidende citaat - dat God slechts één Zoon heeft - vervolgen:

 

‘… Als al [Gods] scheppingen Zijn Zonen zijn, moet elk een integraal deel van het gehele Zoonschap uitmaken. Het Zoonschap in zijn Eenheid overstijgt de som van zijn delen. (T2.VII.6:2-3)

‘De schepping is de som van al Gods gedachten, oneindig in getal ...’ (WdII.11.1:1)

 

Dit betekent dat in de schepping, dus vóór de afscheiding, al sprake was van een meervoud aan Zonen of Gods Gedachten – waar wijzelf mee bedoeld worden (zie T18.VIII.1:5; T30.III.6-11):

 

‘God heeft Zijn Zonen geschapen door Zijn Denken uit te breiden … en in Zijn Geest te bewaren. Al Zijn Gedachten zijn dus in zichzelf en met elkaar volmaakt verenigd.’ (T6.II.8:1-2)

 

We kunnen dus samenvatten dat God Gedachten denkt, oneindig in getal die volmaakt met elkaar verenigd zijn. Dat betekent wel degelijk een soort veelheid binnen de eenheid. Maar hoe kan ik me dat voorstellen? De volgende citaten geven hier antwoord op:

 

‘... al Gods Zonen zijn van gelijke waarde, en hun gelijkheid is hun éénheid.’ (T11.VI.10:5; zie ook T18.I.2:4)

‘Hoewel ieder aspect het geheel is, kun je dit niet weten voordat jij ziet dat ieder aspect hetzelfde is, waargenomen in hetzelfde licht en daarom één.’ (T13.VIII.5:3)

 

Wat ons één maakt is dus onze gelijkheid. En dit idee tref je aan bij de behoedzame voorbereiding op het ervaren van eenheid: de heilige relatie waar de overtuiging ongedaan wordt gemaakt dat er verschillen zijn (zie T22.in.4:1-2). Het is onze gelijkheid op geestesniveau, onze gedeelde gedachten, onze gezamenlijke intentie die ons verenigt, die ons laat beseffen dat we allemaal één zijn. Dienovereenkomstig gebeurt in onheilige of speciale relaties het tegenovergestelde: het is het idee van verschil dat ons van God en van elkaar afscheidt (zie T22.In.2:5).

Een andere invalshoek voor ons vraagstuk is de heelheid die in ieder aspect woont:

 

‘Elk aspect is heel …’  (T13.VIII.2:2)

‘Het herkennen van het deel als geheel, en van het geheel in ieder deel is volmaakt natuurlijk.’ (T16.II.3:3)

 

Dit wil zeggen dat er naast gelijkheid van ieder aspect ook sprake is van heelheid van ieder deel. Je zou kunnen samenvatten:

·       elke Zoon is gelijk aan elkaar

·       elke Zoon is heel

·       elke Zoon ís het geheel.

En precies op die manier gebruikt Jezus ook het begrip Zoon: voor ons als collectief, zijnde de Christus, voor mezelf als een Zoon en voor een broeder van mij (zie ook de definities achterin).

De eenheid is dus op een voor ons onbegrijpelijke wijze tevens een veelheid. Gods ontelbare Gedachten oftewel Zonen zijn één omdat ze allemaal hetzelfde zijn en in dezelfde wil of functie delen. De Eenheid bestaat dus uit een ontelbaar aantal Zonen die samen het Zoonschap vormen oftewel de éne Zoon. Deze aspecten of delen van het Koninkrijk lijken exact op elkaar, zijn grenzeloos en vloeien in en door elkaar heen als water dat zich niets aantrekt van vissersnetten (oftewel lichaamsgrenzen). We zijn een druppel alsmede de oceaan.

Een bijkomend punt is dat Jezus voortdurend praat over onze scheppingen, d.w.z. dat ook wij in de waarheid ‘in het meervoud’ scheppen zoals onze Vader dat ook doet (T4.VI.7:7). Het Engelse ‘you’ of ‘your’ kan trouwens heel vaak in de Course ook ‘jullie’ betekenen: jullie scheppingen, meervoud dus. En ook ná de Verzoening is er sprake van veelheid, want ‘De Heilige Geest zal vervolgens bij de Zonen van God blijven om hun scheppingen te zegenen …’  (T5.I.5:7; zie ook T1.V.3:1 en T7.XI.7:10)

 

De afscheiding als ‘groepsproces’

 

Gezien het vorige punt is het volgens mij dus niet zo dat er maar één Zoon was die zich als één afscheidde. Het is niet zo dat er vervolgens een ‘oerego’ bestond waar jij en ik wederom slechts minuscule niet-bestaande aspecten van vormen. De afscheiding is eerder een individuele beslissing van elke ‘afzonderlijke’ Zoon of Gedachte van God om in de droom te delen. Ieder aspect van God had de keuze om in deze waan van speciaalheid te delen of niet. ‘Zelfs het dwaze idee van de afscheiding moest gedeeld worden ... maar dat delen was een delen van niets.’ (WdI.54.3:3-4) Met wie moest de éne Zoon het idee van afscheiding delen als hij toch van meet af aan enig kind was?? En: ‘... geesten hebben ervoor gekozen zichzelf als afgescheiden te zien.’ (T3.V.9:2) Dus wij als goddelijke aspecten bestonden vóór de afscheiding al en houden met elkaar het idee van afscheiding of verschil in stand.

Afscheiding is binnen de illusie een ‘groepsproces’, een collectieve nachtmerrie of gedeelde waan waarin we (schijnbaar) in slaap vielen en alsmaar verder wegdommelden. En elke droom van ons heeft tot andere dromen geleid en de duisternis alleen maar dieper gemaakt (zie T18.III.1:2-3). Dus iedere Zoon splitst zijn denken alsmaar op, ziet steeds meer dreigende schaduwfiguren en raakt steeds meer in de war:

 

‘Jij die gelooft dat God angst is, hebt slechts één enkele substitutie in het leven geroepen. Die heeft vele vormen aangenomen, want het was de vervanging van waarheid door illusie, van heelheid door fragmentatie. Ze is zo versplinterd geraakt en onderverdeeld en keer op keer opnieuw verdeeld, dat het nu vrijwel onmogelijk is te zien dat ze ooit één was, en nog steeds is wat ze was.’ (T18.I.4:1-3)

 

Hier past wél het vergelijk met een boom met z’n  wortelstelsel, maar laten we eens kijken naar datgene dat zich hier telkens opsplitst. Het is niet de ene Zoon die zich opsplitst in vele Zonen, maar het is jouw denken dat versplinterd raakt. Jij vervangt de God van Liefde door een god van angst. Je ziet niemand meer als heel (T18.I.3:6), en jouw ene vergissing wordt alsmaar complexer en onherkenbaar als één enkele angstgedachte.

Ik wil graag de afscheiding presenteren in een actuele en wat speelse vorm waarmee de strekking hopelijk nog duidelijker wordt:

Alle Zonen van God, alle aspecten van het Zoonschap zijn allemaal met elkaar verbonden -  via e-mail! Maar elk verzonden mailtje wordt telkens naar het hele Zoonschap verstuurd, en iedereen ontvangt dan ook van iedereen voortdurend alle e-mails, d.w.z. liefdevolle gedachten. Er is sprake van  totale communicatie in een volmaakt geestelijk netwerk (T4.VII.3:4). En dan ‘gebeurt’ het onmogelijke: ergens in deze volmaakte communicatie sluipt een nietig dwaas idee binnen van afscheiding-verschil-speciaalheid, en dit idee komt automatisch terecht in het postvakje van iedere Zoon (ook in dat van God natuurlijk). Iedere geest kan nu zelf kiezen of hij deze gedachte als waar en belangrijk wil koesteren of als onbelangrijk en belachelijk verwerpen. Iedere Zoon heeft zelf de keuze om aan deze kettingbrief of ‘spam’ (=ongewenste e-mail-reclame) mee te doen, en zo vallen de Zonen geleidelijk aan in slaap door steeds meer de ego-mails van speciaalheid van elkaar te lezen en er waarde aan te hechten. We geloven elkaars onmogelijke gedachten, we ‘delen’ onze waanideeën en bevestigen elkaar daarin door er serieus op te antwoorden. – Herken je deze procedure in je dagelijks leven?

Jezus, die zich de onhoudbaarheid van dit waanzinnige gedachtesysteem realiseert, stuurt als eerste (door Gods Heilige Geest  geïnspireerd) de boodschap door het Hemelwijde web: ‘de Zoon van God is onschuldig’, en nu is het aan ons, aan elke Zoon, om dit urgente bericht te willen lezen, om deze gedachte als waar en belangrijk te accepteren. En er ontstaat een geleidelijk ontwaken, in het tempo afhankelijk van ieders keuze:

 

‘God gaat naar hen uit en door hen heen, en er is grote vreugde in heel het Koninkrijk. Ieder die zijn denken veranderd heeft, draagt bij tot deze vreugde met zijn individuele bereidwilligheid erin te delen’ (T4.VII.8:5-6).

 

Herken je de eenvoud van deze zienswijze? Voor mij persoonlijk valt alles samen: hoe we aan de ene kant elkaar voortdurend in onze ego’s kunnen versterken, en hoe de wonderdoener oftewel leraar van God aan de andere kant zijn broeders motiveert om dezelfde keuze voor God te maken. Broeders die werkelijk bestaan en die zelf kunnen kiezen. We helpen elkaar uit de slaap, en zo onszelf omdat we tevens het geheel zijn, samen met onze broeder. Ik beklemtoon dit omdat ik laatst een mailtje kreeg van een Coursestudent die me schreef dat ‘er geen ander is dan jij, en dus ook geen relatie. Relatie verwijst naar (minimaal) twee, dus naar verdeeldheid. De werkelijkheid is echter niet-twee. … Er is alleen maar jij’ -  Dit is exact de visie waarmee ik het van harte oneens ben! 

 

 

Conclusies

 

1.
Ieder van ons is een Zoon van God

 

Volgens mij wil de Course ons zeggen dat ieder van ons, ook jij, een Zoon van God is en tegelijkertijd dé Zoon van God. Jij bent beslist geen illusie, evenmin als al je broeders (zie T30.III.11:10). Maar jij als Zoon hebt de vrijheid om in jouw eigen droombeeld te blijven geloven: in een kwetsbaar zelfconcept binnen de wereld, in een persoonlijkheid met overtuigingen die je ‘zekerheid’ verschaffen, in een afgescheiden behoeftig lichaampje dat jou een tastbare identiteit bezorgt. De oplossing voor de vraag wie de ‘jij’ in de Course is kan dus zeer eenvoudig beantwoord worden. Jezus richt zich voortdurend tot jou, Zoon van God, die in zijn eigen fantasieën gelooft, die verkeerd gekozen heeft en nu een nieuwe keuze maken kan. Hij richt zich niet tot je ego, tot wie je denkt te zijn, maar tot wat je in wezen bent, het vonkje in jou dat hij wil laten ontwaken. En vandaar uit kijk je naar je ego, en kies je opnieuw. 

 

2.
We zijn omringd door échte broeders
en niet slechts door gedachteprojecties van onszelf

 

Het wordt nu ook duidelijk dat anderen om ons heen wel degelijk bestaan, niet als lichamen, maar als broeders, als geesten waarmee we kunnen communiceren - ook via ons lichaam. We maken echter van de ander een ego, een beeld dat hij in wezen niet is (zie T4.II.2:1-2), zoals ook de ander dat van zichzelf maakt. De ander is niet alleen een spiegel voor ons die in wezen niet bestaat, maar een echt wezen dat zich net zo vergist als wij door in deze wereld rond te dolen. We kunnen en zullen het werkelijke contact herbeleven, want relaties veronderstellen het zijn (T4.VII.2:1). We kunnen de ander - en dus onszelf - tot gekende (!)  hoogten meenemen. Het is aan ons wonderdoeners de taak om de eenzaamheid op te heffen waarin een broeder verkeren kan. 

 

3.
Ieder van ons heeft de taak om werkelijk contact te maken

Het hoopgevende van deze zienswijze is dat we onze verlossing kunnen bewerkstelligen door werkelijk contact te leggen met onze broeders die als aspecten of gedachten van God net zo echt zijn als wijzelf (niet hun ego uiteraard). Onze taak op aarde wordt om hun onze helpende hand te reiken om samen uit de droom te ontwaken. Het kenmerk van de wonderdoener is dan ook het besef van gelijkheid en eenheid met de ander. Dit is wat we aan kunnen bieden (het woordje aanbieden [to offer] komt in het Engelse origineel meer dan 500 keer voor en houdt in dat de ander de vrijheid heeft om in zijn bewustzijn de liefde nu te accepteren - of zich er later pas bewust van te worden). We maken de afscheiding dus niet ongedaan door een individuele ‘al-eenheid’ te belijden maar door echte diepe verbindingen aan te gaan met werkelijke broeders van dezelfde Vader. In die zin is de Course een uitermate sociale weg.

 

4.
Wat we in anderen waarnemen kan ook van die ander zelf zijn

In Course-kringen leeft het idee dat alles wat we in de ander zien louter van onszelf is. Dat de ander niets anders is dan een scherm waarop we onze eigen ideeën projecteren. Natuurlijk gebeurt dit óók, maar het is wel degelijk mogelijk om bij iemand anders iets te bespeuren wat niet van onszelf hoeft te zijn. Jezus doet in zijn boek in wezen niets anders. Hij ziet ons als hulpbehoevend en verward, en hij wil ons deze hulp geven, terwijl hij weet dat we veilig in God zijn. Maar is Jezus daarom zelf verward of angstig? Ook wij kunnen zien dat iemand anders vanuit zijn ego denkt of handelt (en dus lijdt en om hulp vraagt) zonder dat we daardoor onze vrede verliezen en zelf gaan lijden. Als we dat wél doen is er sprake van gebrek aan vertrouwen en hebben we werk te doen om onze eigen geest weer in lijn met de Heilige Geest te brengen (H17). Om te beseffen dat we niets anders zijn dan Gods ene ontelbare Zoon!

 

 

WIL JE DIT ARTIKEL UITPRINTEN?
Selecteer dan het tekstgedeelte van boven naar beneden door de linkermuisknop ingedrukt te houden;
klik met rechts > copiëren; open een nieuw Word-document en plak het erin. Voilà!

De artikelen werden vertaald met vriendelijke toestemming van 'The Circle of Atonement'.
De citaten werden uit het Engels vertaald vanuit 'A Course in Miracles', Foundation for Inner Peace, 1992.
Op de artikelen van 'the Circle of Atonement' en van 'het wonder' rust copyright.