Veelvuldige herhaling van een idee is noodzakelijk
om dat idee aan te leren, vooral als dat idee precies het tegenovergestelde
is van iets wat we voorheen als waarheid geaccepteerd hebben.
Vanuit het perspectief van de Cursus hebben we allemaal het
ego-denksysteem aangenomen; onze aanwezigheid in deze wereld
van afscheiding is daarvan immers het beste bewijs. Omdat het
denksysteem van de Heilige Geest lijnrecht tegenover het denksysteem
van het ego staat, is veelvuldige herhaling van de ideeën van
de Cursus voor ons de basis om de Cursus te leren.
Door het hele Tekst- en Werkboek heen worden dezelfde
ideeën alsmaar herhaald en geherformuleerd, steeds maar opnieuw.
In de lessen van het Werkboek worden we aangespoord het idee
voor de dag ieder uur te herhalen, en in deel I wordt elk idee
tevens herhaald, zodat we er minstens twee dagen aan besteden.
Jezus erkent dat het vervangen van egogedachten door Gods gedachten
een langzaam en geleidelijk proces is. Ik hoef me dan ook niet
schuldig te voelen als ik besef dat ik een bepaald idee van
de Cursus misschien in principe wel begrijp (zoals ‘Verlies
is geen verlies, mits juist waargenomen’), maar ik aan de andere
kant nog lang niet zo ver ben om dit helemaal te accepteren.
Wanneer ik mijn gebrekkige acceptatie van de ideeën van de Cursus
besef, is voortdurende herhaling en aanhoudende toepassing ervan
in allerlei situaties de voorgeschreven remedie.
Vijf fasen in het
proces van gedachtenverandering
Les 284 in het Werkboek spreekt rechtstreeks over
dit proces waardoor onze gedachten worden veranderd. De titel
is: ‘Ik kan kiezen alle gedachten die pijn doen te veranderen’.
Hij beschrijft dit proces als volgt:
Dit (=pijn is onmogelijk) is de waarheid
1. die eerst alleen dient uitgesproken
2. en dan veelvuldig herhaald,
3. om vervolgens onder veel voorbehoud maar
gedeeltelijk als waar te worden geaccepteerd.
4. om daarna steeds serieuzer te worden
overwogen
5. en uiteindelijk als de waarheid geaccepteerd
wordt.
Er bestaan duidelijk vijf fasen in het proces van gedachtenverandering.
Voorafgaande aan al deze fasen bevinden we ons in een toestand
waarin we exact het tegenovergestelde geloven of er geen mening
over hebben. Voor de meesten van ons is dit de uitgangspositie
wanneer we voor het eerst de Cursus beginnen te lezen.
Neem bijvoorbeeld de simpele bewering in deze les:
‘Verlies is geen verlies, mits juist waargenomen’ (WdlI.284.1:1). De meesten van
ons openen de Cursus in de stellige overtuiging dat verlies
wél verlies is, en dat het zeer werkelijk is; ons geloof in
de werkelijkheid van verlies is onbetwist. In de Cursus komen
we echter zeer duidelijke verklaringen tegen die ons vertellen
dat we het bij het verkeerde eind hebben, dat verlies niet werkelijk
bestaat behalve als een misplaatst geloof in onze geest. Als
we met dit idee gaan werken zullen we langzaam door deze vijf
stadia van gedachtenverandering heengaan.
1.
VERBAAL geloof:
‘ De waarheid die eerst alleen dient uitgesproken … ’
Gedachtenverandering
begint met iets dat eigenlijk niet meer is dan lippendienst
aan een idee. In de beginfase zeggen we eigenlijk niet meer
dan: ‘Ik denk dat dit idee waar is en ik zou het graag willen
geloven’. Bij veel ideeën in de Cursus stelt de fase van het
verbale geloof zelfs nog minder voor dan dat; het komt erop
neer dat we zeggen: ‘Misschien
is dit waar, en ik ben bereidwillig dit te geloven’. Als
we eerlijk tegenover onszelf zijn realiseren we ons dat we met
veel ideeën uit de Cursus niet verder dan hier gekomen zijn.
Bij sommige ideeën, zoals de leerstelling dat God de wereld
niet geschapen heeft, kostte het me bijna drie jaar om zelfs
maar deze eerste fase - de bereidheid om het idee als waar te
beschouwen - te bereiken.
2.
MENTAAL geloof:
‘ … en dan veelvuldig herhaald … ’
Als we besloten hebben het nieuwe idee tot ons denksysteem
toe te laten (fase1) gebeurt er nog niet veel, het is niet veel
meer dan het op een kier zetten van de deur om het idee binnen
te laten. De volgende fase begint pas bij de veelvuldige herhaling.
We herhalen het idee steeds maar opnieuw, misschien hardop,
misschien wel in stilte. We kopen cassettebandjes met lezingen
uit de Cursus en luisteren ernaar, steeds weer. We doen daadwerkelijk
de werkboeklessen. (Ik ben ervan overtuigd dat velen van ons
in het beoefenen van de lessen ‘falen’ en ‘vergeten’ ze veelvuldig
te herhalen omdat we met het betreffende idee in werkelijkheid
zelfs fase 1 nog niet bereikt hebben: we zijn nog niet bereid
het idee binnen te laten). We lezen de Tekst steeds maar opnieuw.
In dit stadium geloven we het idee eigenlijk nog steeds niet,
maar proberen onze geest ervan te overtuigen dat het waar is.
Het grootste gedeelte van de studenten werken met de meeste
ideeën uit de Cursus nog steeds in deze tweede fase. Voor mij
geldt dit in ieder geval zeker.
3.
GEDEELTELIJK geloof
‘ … om vervolgens onder veel voorbehoud maar gedeeltelijk als waar te
worden geaccepteerd … ’
De veelvuldige herhaling van het idee brengt ons in
situaties waarin we bepaalde ervaringen krijgen die de waarheid
van het idee voor ons bevestigen. We ervaren een heilig ogenblik,
of een moment van vergeving in een relatie, en we herkennen
de waarheid van iets dat de Cursus ons verteld heeft. Dit is
het ‘aha!’-erlebnis, het besef van ‘Nú weet ik wat de Cursus
daarmee bedoelt’! Misschien ervaren we een omslag in de waarneming
van een persoon en zien we zijn onschuld, zien we dat er geen
zonde was en daarom niets te vergeven viel. We kunnen nu de
waarheid van de Cursus in deze situatie zien. Maar we hebben
er nog steeds moeite mee dit idee toe te passen op iemand die
ons ernstig misbruikt heeft, of op iemand zoals Hitler, of op
massamoordenaars. We zien nog steeds rangorde van moeilijkheid
in wonderen. We accepteren het idee wel, maar ‘onder veel voorbehoud’.
Enkelen van ons hebben met sommige ideeën uit de Cursus fase
3 bereikt.
4.
GROEIEND geloof
‘ … om daarna steeds serieuzer te worden overwogen … ’
Fase 4 is wat de Cursus bedoelt met veralgemenisering.
Als we eenmaal de waarheid van een van de Course-ideeën in die
ene situatie gezien hebben, beginnen we haar ook steeds meer
in andere situaties te ervaren. Hier, in deze fase, zullen serieuze
Course-studenten de meeste tijd van hun leven doorbrengen. Als
fase 1 mentale acceptatie was en fase 2 mentale herhaling
van het idee, dan is fase 3 ervaringsgerichte acceptatie
en fase 4 ervaringsgerichte herhaling van het idee. We
beseffen dat als het idee waar blijkt te zijn in de ene situatie,
we het dan misschien ook in een andere situatie kunnen toepassen,
en in nog veel meer andere situaties. Alsmaar opnieuw, steeds
maar weer, moeten we het idee in de ene na de andere situatie
bevestigen.
Maar zelfs in dit gevorderde stadium zijn we nog niet
tot totale acceptatie gekomen van wat de Cursus zegt. Ik denk
dat Helen Schucman dát bedoelde in haar veelvuldig geciteerde
verklaring die erop neerkomt dat ze wist dat de Cursus waar
was, maar dat ze er niet in geloofde. Ze was zich er volmaakt
van bewust dat ze nog steeds vele bedenkingen had en bevond
zich in het proces om de ideeën meer en meer serieus in overweging
te nemen, maar ze was nog niet tot uiteindelijke acceptatie
gekomen. We vinden haar verklaring enigszins shockerend of verontrustend,
alleen omdat Helen eerlijker was dan de rest van ons. Er zijn
maar heel weinig mensen verder dan deze fase gekomen.
5.
TOTAAL geloof
‘… en uiteindelijk als de waarheid geaccepteerd.’
Deze laatste fase is ons doel in deze wereld, het
is het einde van de reis. Hier is het idee dat begon als een
mentaal denkbeeld, dat door veelvuldige herhaling een steeds
grotere plaats in onze geest verwierf, dat ervaringsgericht
begon te worden en geleidelijk groeide om steeds meer van ons
leven te omvatten, uiteindelijk volledig veralgemeniseerd. We
beschouwen het idee nu als helemaal waar, op alles evenveel
van toepassing. Er is geen rangorde van moeilijkheid meer in
wonderen en er zijn geen bedenkingen en geen uitzonderingen
meer. Zoals ik hierboven al zei zijn er maar weinig mensen -
áls ze er al zijn - die dit stadium bereikt hebben met meer
dan enkele concepten uit de Cursus.
Dit proces lijkt op het leren van een vreemde taal.
In het begin zijn de klanken van de vreemde taal onbegrijpelijk
(we hebben deze ervaring waarschijnlijk allemaal bij de Cursus
gehad!). Je kiest ervoor de taal in je op te nemen. Je legt
je erop toe door middel van veelvuldige herhaling. Je begint
je in bepaalde situaties wat de taal betreft op je gemak te
voelen, en breidt je ervaring met de nieuwe taal geleidelijk
uit naar steeds meer aspecten van je leven totdat je op een
dag, als je toegewijd bent, merkt: wat jij omarmt, omarmt jou.
De taal wordt van jou, ze wordt deel van jou en jij van haar.
Ze lijkt nu op een natuurlijke wijze tot je te komen, zonder
inspanning. Maar het kostte heel veel inspanning om deze toestand
van inspanningsloosheid te bereiken.
Het leren bespelen van een muziekinstrument doorloopt
precies dezelfde stadia; je worstelt met de snaren van een gitaar,
je voelt je onnatuurlijk en ongemakkelijk; je leert akkoord
na akkoord, lied na lied, je speelt toonladders en herhaalt
dingen steeds opnieuw, keer op keer. Dan, op een dag, merk je
dat je er zelfs niet meer over hoeft na te denken, het gebeurt
gewoon. Wat jij omarmt, omarmt jou.
Deze fase is het uiteindelijke doel, het eindresultaat.
Als je verwacht eenvoudig een sprong te kunnen maken naar moeiteloosheid,
zonder enige inspanning, zul je er nooit komen. We bevinden
ons met de ideeën uit de Cursus in het leerproces, ergens in
de eerste vier fasen. Dat is het doel van ons zijn in de wereld
– leren, helen, onze gedachten veranderen.
Wees een gelukkige leerling
De Cursus adviseert ons: ‘Wees tevreden met heling’
(T13.VIII.7.1). Zolang we in de wereld zijn, zijn we aan
het helen en aan het leren, gaan we met het ene na het andere
aspect van de waarheid door deze stadia heen. Als het leren
voorbij is zal er geen enkele
noodzaak meer zijn om nog hier te zijn, dus zolang we
hier verblijven hoeven we niets anders dan dit leerproces te
verwachten. We hoeven ons niet schuldig te voelen omdat we het
doel nog niet bereikt hebben. In ‘De gelukkige leerling’ (T14.II) en het volgende
hoofdstuk geeft Jezus ons wat advies over het proces waarin
we ons bevinden:
1. Leer een gelukkige leerling te zijn
‘De gelukkige leerling kan zich niet schuldig
voelen als hij leert. Dit is van zo’n vitaal belang voor zijn
leerproces, dat het nooit mag worden vergeten’ (T14.III.1:1-2).
2. ‘Leren betekent: hier leven’ (T14.III.3:2)
En
hier leven betekent: leren. Dit is alles wat leven hier betekent:
het proces doorlopen en je er niet schuldig over voelen (T13.VIII.7:1). ‘Wees tevreden met heling’ (T13.VIII.7:1). Anders gezegd is voor ons het doel van de
wereld om op school te zijn. Wat we hier doen is leren. Daarom
zijn we hier. Doe dus kalm aan en wees niet gestresst dat je
het allemaal nog niet geleerd hebt. Het leerproces zal je brengen
waar je naar op weg bent, dus wees er tevreden mee, wees blij
in het leerproces te zijn en wees geduldig met jezelf voor het
feit dat je nog niet compleet bent. Als je geconfronteerd wordt
met een moeilijke waarheid, iets dat moeilijk te accepteren
is, en je beseft dat je nog maar in de eerste fase van gedachtenverandering
bent, louter verbaal geloof, wees dan niet van streek dat je
je geest niet onmiddellijk de waarheid kunt laten accepteren.
Ga gewoon door met leren. Herhaal het idee zo vaak mogelijk
voor jezelf. Gebruik iedere situatie om het jezelf eigen te
maken. Wees in vrede met de schijnbare traagheid van je vooruitgang.
Je bent hier om te leren en je hebt alle tijd van de wereld.
(Dit artikel is afkomstig uit ‘A workbook companion’
door R. Perry en A. Watson, pag. 107-110. Het boek bevat commentaar
op elke Werkboekles.)